ECLI:NL:CRVB:2009:BK2786
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting en zelfstandigheidsstatus
Appellant, die een bedrijf had dat per 1 maart 2004 werd opgeheven, kreeg algemene bijstand toegekend vanaf 10 februari 2004. Het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam trok de bijstand in vanwege schending van de inlichtingenverplichting en vermeende zelfstandige werkzaamheden vanaf 25 oktober 2004. De rechtbank vernietigde de intrekking deels, maar verklaarde het bezwaar tegen terugvordering ongegrond.
In hoger beroep overwoog de Raad dat appellant onvoldoende had gemeld over zijn inschrijving bij de Kamer van Koophandel en zijn zelfstandige activiteiten, wat een grond voor intrekking kan zijn als het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld. Voor de periode van 25 oktober 2004 tot 1 april 2005 vond de Raad echter onvoldoende bewijs dat appellant daadwerkelijk als zelfstandige werkte, mede gelet op een trajectplan en belastinggegevens.
Vanaf 1 april 2005 was er wel sprake van substantiële zelfstandige werkzaamheden, zoals blijkt uit offertes, facturen en bankontvangsten. De Raad oordeelde dat het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering over deze periode, maar vernietigde het besluit voor de eerdere periode wegens strijd met de Awb. Het College werd opgedragen een nieuw besluit te nemen over de terugvordering. De proceskosten werden aan het College opgelegd.
Uitkomst: Intrekking en terugvordering bijstand vernietigd voor 25 oktober 2004 tot 1 april 2005, vanaf 1 april 2005 gegrond verklaard met opdracht tot nieuw besluit.