ECLI:NL:CRVB:2009:BK2793

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4337 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbBesluit proceskosten bestuursrechtAlgemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vergoeding proceskosten bij familiegebonden rechtsbijstand in WAJONG-uitkering

Appellant ontving met terugwerkende kracht een WAJONG-uitkering van het UWV. Bij besluit werd wettelijke rente over de nabetaling toegekend, maar het UWV weigerde vergoeding van de kosten van bezwaar, omdat de rechtsbijstand werd verleend door de vader van appellant, die geen professionele derde partij was.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerdere besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het nieuwe besluit ongegrond, met de overweging dat de door de vader verleende rechtsbijstand voortkwam uit familiebanden en niet als professionele rechtsbijstand kon worden aangemerkt.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad deze lijn, verwijzend naar vaste jurisprudentie en het Besluit proceskosten bestuursrecht, waarin vergoeding alleen plaatsvindt indien kosten zijn gemaakt voor professionele rechtshulp. De Raad wijst een beroep op discriminatie af omdat geen gelijke gevallen zijn aangetoond.

De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt het besluit van de rechtbank, waarmee vergoeding van proceskosten voor familiegebonden rechtsbijstand wordt geweigerd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat proceskostenvergoeding voor rechtsbijstand door een familielid niet toekomt.

Uitspraak

08/4337 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 14 juli 2008, 07/3262 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft [naam vader], werkzaam bij Werkkollektief Hoorn te Hoorn, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 september 2009. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.L. Turnhout.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft aan appellant met terugwerkende kracht vanaf 5 december 2002 een uitkering toegekend op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten. Bij besluit van 15 januari 2007 heeft het Uwv aan appellant een bedrag aan wettelijke rente over de nabetaling vergoed. Bij besluit van 4 april 2007 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard. Het geschil dat de rechtbank heeft behandeld ging aanvankelijk over de hoogte van de wettelijke rente. Hangende de procedure bij de rechtbank is het Uwv alsnog aan de bezwaren van appellant tegemoetgekomen door het bedrag van de wettelijke rente te verhogen. Hiertoe heeft het Uwv op 3 december 2007 een nieuw besluit op bezwaar genomen dat geheel in de plaats is getreden van zijn eerdere besluit van 4 april 2007. Het Uwv heeft in het besluit van 3 december 2007 echter geweigerd om de kosten van het bezwaar te vergoeden. Het geschil heeft zich op dit aspect toegespitst.
2.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 4 april 2007 niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen belang meer had bij zijn beroep tegen dat besluit. De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 3 december 2007 ongegrond verklaard.
2.2. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv de gevorderde kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase niet hoeft te vergoeden. De gemachtigde [naam vader] is de vader van appellant. Volgens de rechtbank vindt de door de vader van appellant verleende rechtshulp in overwegende mate zijn grondslag in de tussen hen bestaande familieverhouding en vormt daarmee geen door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van deze Raad van 14 december 2007 (LJN BC1460).
3. In hoger beroep heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat hij zich, samen met een kantoorgenoot, beroepsmatig bezighoudt met het verlenen van juridische en fiscale bijstand, dat de kosten ten laste komen van het bedrijf waar hij deel van uitmaakt en dat het geen verschil maakt of hij of zijn kantoorgenoot de procedure voert.
De uitspraak van de Raad waar de rechtbank zich op beroept bevat een discriminatoir element en kan aanleiding geven tot misbruik met betrekking tot de ware identiteit van degene die een cliënt bijstaat.
4. De Raad oordeelt als volgt.
4.1. De Raad ziet in hetgeen namens appellant is aangevoerd geen reden om van zijn vaste jurisprudentie, zoals die tot uitdrukking komt in zijn in overweging 2.2 vermelde uitspraak, af te wijken. Voorop moet worden gesteld dat ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding van proceskosten slechts plaats is indien door de belanghebbende kosten zijn gemaakt voor het inschakelen van een professionele rechtshulpverlener. De Raad gaat er, evenals de rechtbank, van uit dat de onderhavige rechtshulpverlening in overwegende mate zijn grondslag vindt in de tussen de gemachtigde en appellant bestaande familieverhouding. Onder deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gesproken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dat de gemachtigde van appellant in procedures waarin hij namens anderen optreedt wel als beroepsmatige rechtsbijstandverlener wordt aangemerkt, doet aan het vorenstaande niet af. Van discriminatie zou sprake zijn als gelijke gevallen bij de toekenning van proceskosten ongelijk worden behandeld. Nu niet gebleken is dat sprake is van gelijke gevallen, kan deze grief niet slagen.
4.2. Uit hetgeen onder 4.1. is overwogen volgt dat het hoger beroep niet kan slagen.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden in tegenwoordigheid van A.E. van Rooij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 november 2009.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) A.E. van Rooij.
JL