AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bezwaarschrift niet-ontvankelijk wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding bij intrekking WAO-uitkering
Appellant had een WAO-uitkering die per 23 april 2007 werd ingetrokken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, maar dit bezwaar werd door het UWV niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat was ingediend. De rechtbank bevestigde deze niet-ontvankelijkheid en oordeelde dat het besluit op juiste wijze was bekendgemaakt en dat er geen verschoonbare reden was voor de te late indiening.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn depressieve stoornis hem belemmerde tijdig bezwaar te maken. De Centrale Raad van Beroep heeft dit onderzocht aan de hand van medische rapportages, waaronder die van de bezwaarverzekeringsarts en een psychiater. De Raad concludeerde dat de ernst van de stoornis niet met medische feiten was onderbouwd en dat er geen reden was om de termijnoverschrijding te verontschuldigen.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het UWV dat het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Tevens wees de Raad een vergoeding van proceskosten af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.P.J. Goorden op 11 november 2009.
Uitkomst: Het bezwaarschrift is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare te late indiening.
Uitspraak
08/7145 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 3 november 2008, 07/2583 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. dr. G.P. Dayala, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2009. Namens appellant is mr. dr. Dayala verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C.F. Sitvast.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 5 maart 2007 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, die laatstelijk werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, per 23 april 2007 wordt ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedraagt.
1.2. Tegen het besluit van 5 maart 2007 is namens appellant bij faxbericht van 17 april 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 13 augustus 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk verklaard, omdat het bezwaarschrift te laat is ingediend. In de door appellant aangevoerde medische gronden heeft het Uwv, onder verwijzing naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts P. Eken van 9 augustus 2007, geen aanleiding gezien de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat vaststaat dat het bezwaarschrift niet binnen zes weken na verzending van het besluit van 5 maart 2007 bij het Uwv is ontvangen. Volgens de rechtbank is dit besluit, uitsluitend door toezending aan appellant, op een juiste wijze bekend gemaakt en was het Uwv niet eerder op de hoogte van het bestaan van een gemachtigde omdat een brief van 27 februari 2007 van een kantoorgenoot van de gemachtigde niet bij het Uwv bekend was en die brief ook niet aangetekend was verzonden. Voorts heeft de rechtbank geen reden gezien om een verschoonbare termijnoverschrijding aan te nemen, omdat de medische verklaringen daarvoor ontoereikend zijn.
3. In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat, gelet op de door hem in geding gebrachte medische stukken, sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Gelet op zijn depressieve stoornis, waardoor hij beperkt is in zijn handelen en besluitvaardigheid, was hij zich niet bewust van de inhoud van het besluit van 5 maart 2007 en van het feit dat hij dat niet tijdig aan zijn raadsman heeft overhandigd.
4. De Raad, oordelend over hetgeen namens appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.1. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard omdat, gelet op de door hem aangevoerde medische gronden, er geen reden is om op grond van artikel 6:11 vanPro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding voor het indienen van een bezwaarschrift aan te nemen.
4.2. Evenals de rechtbank beantwoordt de Raad die vraag bevestigend en hij onderschrijft de daaraan door de rechtbank ten grondslag gelegde overwegingen. De Raad volstaat met een verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts Eken van 9 augustus 2007 en 20 oktober 2008 waarin zij, na kennisneming van de door appellant ingebrachte verklaringen van psychiater W. Lionarons, heeft aangegeven dat de door appellant genoemde ernst van de aandoening niet met medische feiten is onderbouwd en dat daaruit niet kan worden afgeleid dat appellant buiten staat was tijdig bezwaar in te dienen. Evenals de rechtbank ziet de Raad daarmee genoegzaam onderbouwd dat er geen medische redenen zijn om op grond daarvan de te late indiening van het bezwaarschrift verschoonbaar te achten. Dat betekent dat het Uwv het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard en dat de rechtbank het beroep van appellant eveneens terecht ongegrond heeft verklaard.
4.3. Uit hetgeen hiervoor onder 4.2 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Awb inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.