ECLI:NL:CRVB:2009:BK3315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- A.B.J. van der Ham
- R. Kooper
- Rechtspraak.nl
Beëindiging nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zuster
Appellant ontving een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw), die door de Sociale verzekeringsbank (Svb) werd beëindigd per 31 mei 2006 omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn zuster. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat de uitkering pas per 1 juni 2006 mocht eindigen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat er geen gezamenlijke huishouding was, onderbouwd met verklaringen en het feit dat zijn zuster na 29 mei 2006 niet meer in de woning woonde.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellant onvoldoende specifiek en niet verifieerbaar zijn. De zuster had in juni 2006 een bijstandsuitkering aangevraagd met het adres van appellant en stond tot 24 juni 2008 ingeschreven op dat adres. Daarmee is voldaan aan het hoofverblijf- en zorgcriterium, waardoor het hoger beroep van appellant faalt.
Ten aanzien van het hoger beroep van de Svb stelt de Raad vast dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door te oordelen dat de uitkering pas per 1 juni 2006 mocht eindigen. De Raad vernietigt daarom het vonnis voor zover het het primaire besluit herroept en bevestigt dat de uitkering op 31 mei 2006 eindigde. De rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand en er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De uitkering is beëindigd per 31 mei 2006 wegens gezamenlijke huishouding met de zuster, het hoger beroep van appellant faalt.