ECLI:NL:CRVB:2009:BK3349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- R. Kooper
- C. van Viegen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zuster
Appellant voerde een gezamenlijke huishouding met zijn zuster, waarop zijn nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (Anw) op 31 mei 2006 werd beëindigd. Deze beëindiging werd eerder bevestigd door de Raad in een uitspraak van 3 november 2009.
Appellant vroeg op 22 november 2006 opnieuw een Anw-uitkering aan, maar deze werd bij besluit van 3 augustus 2007 afgewezen vanwege dezelfde gezamenlijke huishoudingssituatie. Het bezwaar tegen dit besluit werd op 23 mei 2008 ongegrond verklaard door de Sociale verzekeringsbank.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. De Raad voor de Rechtspraak oordeelde dat er geen verandering in de woonsituatie had plaatsgevonden sinds 31 mei 2006 en bevestigde de eerdere uitspraken. Het hoger beroep van appellant werd verworpen en de afwijzing van de uitkering gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding met de zuster.