Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2024 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:58 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning WGA-uitkering ondanks betwisting medische beperkingen

Appellante werkte parttime als bakkerijmedewerkster en meldde zich ziek met fibromyalgie. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe per 10 januari 2006, gebaseerd op een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waarin forse beperkingen waren opgenomen.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen ernstiger waren dan in de FML vermeld en dat het UWV onterecht het verzekeringsgeneeskundig protocol chronisch vermoeidheidssyndroom negeerde. Tevens stelde zij dat de rechtbank onjuist stukken accepteerde buiten de wettelijke termijn.

De Raad oordeelde dat de medische gegevens van appellante geen ernstiger beperkingen aantonen dan in de FML zijn opgenomen en dat haar subjectieve klachtenbeleving geen grond vormt voor verdere beperkingen. De geschiktheid van functies is voldoende toegelicht door de arbeidsdeskundige. Het verzekeringsgeneeskundig protocol was op de peildatum nog niet van kracht en appellante gaf er een verdergaande betekenis aan dan de Raad eerder aannam.

Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank Utrecht wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de toekenning van de WGA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

08/2024 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 februari 2008, 07/2264 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv)
Datum uitspraak: 13 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante stelde M.A.T. Huisman hoger beroep in en zond nadere stukken aan de Raad.
Het Uwv voerde verweer.
Het onderzoek ter zitting vond plaats op 2 oktober 2009, waar Huisman appellante bijstond en het Uwv zich liet vertegenwoordigen door F. Snatager.
II. OVERWEGINGEN
1. Het beroep richt zich tegen het besluit van 25 juli 2007 ter uitvoering van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij handhaaft het Uwv zijn besluit van 26 april 2006 tot de toekenning van een WIA-uitkering aan appellante per 10 januari 2006. Het Uwv kende een loongerelateerde werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA-uitkering) toe.
2. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
3.1. De Raad gaat uit van de feiten zoals de rechtbank deze vaststelde. Zij zijn door partijen niet betwist en komen op het volgende neer.
3.2. Appellante werkte laatstelijk part-time als bakkerijmedewerkster. Zij meldde zich met ingang van 13 januari 2004 ziek met klachten wegens fibromyalgie.
3.3. De verzekeringsarts onderzocht appellante en vervatte de voor appellante geldende medische arbeidsbeperkingen in een zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Dit betreft forse beperkingen.
3.4. Op verzoek van de bezwaarverzekeringsarts onderzocht de revalidatie-arts Blanken appellante. Bij dit onderzoek kon Blanken beschikken over informatie van de appellante behandelende artsen. De bezwaarverzekeringsarts zag in het rapport van Blanken geen aanleiding om de FML aan te scherpen.
3.5. Aan de hand van de FML selecteerde de arbeidsdeskundige een aantal functies die voor appellante geschikt zijn en waarmee zij in theorie ruim 60% van haar salaris als bakkerijmedewerkster kan verdienen.
4.1. In hoger beroep herhaalt appellante haar stelling dat haar medische beperkingen in de FML zijn onderschat.
4.2. Daarnaast voert zij, naar de Raad begrijpt, aan dat de rechtbank door het Uwv binnen de in artikel 8:58 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bedoelde termijn verzonden stukken accepteerde.
4.3. Tenslotte herhaalt appellante in hoger beroep dat het Uwv ten onrechte is voorbij gegaan aan verzekeringsgeneeskundig protocol chronisch vermoeidheidssyndroom.
5.1.1. De Raad kan zich volledig vinden in de verwerping van de medische beroepsgrond door de rechtbank. De door appellante overgelegde medische gegevens bevestigen niet dat op 10 januari 2006 haar beperkingen ernstiger waren dan in de FML zijn opgenomen. Haar eigen beleving van haar klachten kan, naar vaste rechtspraak, geen aanleiding vormen om verdergaande beperkingen aan te nemen.
5.1.2. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de geschiktheid van de functies door de (bezwaar-)arbeidsdeskundige voldoende is toegelicht.
5.2. De onder 4.2 weergegeven stelling gaat voorbij aan de feitelijke gang van zaken, zoals reeds ter zitting door de rechtbank is uitgelegd.
5.3. Het verzekeringsgeneeskundig protocol waarop appellante zich beroept was op 10 januari 2006 nog niet in werking getreden. Bovendien kent appellante er een verdergaande betekenis aan toe dan de Raad in zijn uitspraak van 16 september 2009, LJN BJ7873, heeft aangenomen.
6. Het hoger beroep slaagt niet.
7. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter A.T. de Kwaasteniet en en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 november 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) T.J. van der Torn.
TM