ECLI:NL:CRVB:2009:BK3689

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1094 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene nabestaandenwetWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens intrekking na toekenning nabestaandenuitkering

Appellante stelde hoger beroep in tegen een besluit van de Sociale verzekeringsbank (Svb) waarin een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) werd geweigerd omdat haar echtgenoot niet verzekerd was op het moment van overlijden in 1999.

Tijdens het hoger beroep overwoog appellante dat haar echtgenoot een WAO-uitkering ontving tot aan zijn overlijden, wat zij onderbouwde met een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv). Dit leidde ertoe dat de Svb een nieuw besluit nam en de nabestaandenuitkering aan appellante toekende met ingang van mei 2002, inclusief wettelijke rente.

Appellante liet vervolgens weten akkoord te zijn met dit nieuwe besluit, waardoor zij geen belang meer had bij het hoger beroep. De Raad besloot daarop het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren en bepaalde dat de Svb het betaalde griffierecht aan appellante vergoedt.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellante geen belang meer heeft na toekenning van de nabestaandenuitkering.

Uitspraak

08/1094 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], Marokko (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 17 januari 2008, 06/888 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 11 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 24 juli 2009 heeft de Svb een nieuw besluit van dezelfde datum aan de Raad doen toekomen.
Bij schrijven van 13 augustus 2009 heeft appellante de Raad bericht dat zij het eens is met het besluit van de Svb van 24 juli 2009.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna hij het onderzoek heeft gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluiten van 30 oktober 2003 en 4 mei 2004 heeft de Svb geweigerd appellante een uitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) toe te kennen op de grond dat haar echtgenoot [naam echtgenoot] op de dag van zijn overlijden, te weten [in] 1999, niet verzekerd was voor de ANW.
1.2. Bij beschikking op bezwaar van 9 januari 2006 heeft de Svb het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 30 oktober 2003 en 4 mei 2004 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 9 januari 2006 ongegrond verklaard.
3.1. In hoger beroep heeft appellante – onder meer - aangevoerd dat haar overleden partner tot [in] 1999 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontving, berekend naar een mate van arbeidongeschiktheid van 80 tot 100%. Ter onderbouwing van deze stelling heeft appellante een besluit van 2 oktober 2006 van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) overgelegd, waaruit blijkt dat de per 10 september 1997 geschorste WAO-uitkering van [echtgenoot] weer tot uitbetaling was gekomen, nadat hij alsnog aan zijn verplichtingen op grond van de controlevoorschriften had voldaan. De uitkering werd voortgezet tot de datum van zijn overlijden, [in] 1999.
3.2. Voor de Svb was het besluit van het Uwv van 2 oktober 2006 aanleiding een nieuw besluit te nemen met betrekking tot de aanspraak op nabestaandenuitkering van appellante. Bij het in rubriek I van deze uitspraak vermelde besluit op bezwaar van 24 juli 2009 heeft de Svb vervolgens de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 30 oktober 2003 en 4 mei 2004 gegrond verklaard en aan appellante een nabestaandenuitkering ingevolge de ANW toegekend met ingang van mei 2002, onder vergoeding van de wettelijke rente.
4. Gelet op de hierboven vermelde reactie van appellante van 13 augustus 2009, komt de Svb met het besluit van 24 juli 2009 geheel tegemoet aan het beroep van appellante. Derhalve heeft appellante geen belang meer bij een oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak. Het hoger beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellante het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 november 2009.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
mm