ECLI:NL:CRVB:2009:BK3726

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5365 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 25, negende lid, Wet WIAArt. 64, zevende lid, Wet WIAArt. 65 Wet WIAArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever

De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen het besluit van het UWV om het recht op loon tijdens ziekte te verlengen met 52 weken, ook wel een loonsanctie genoemd, vanwege onvoldoende re-integratie-inspanningen. Het UWV legde deze sanctie op nadat was vastgesteld dat de werkgever onvoldoende had gedaan om de werknemer te re-integreren, met name in het tweede spoor bij een andere werkgever.

De werkgever voerde aan dat zij ten onrechte werd aangesproken omdat zij dacht dat de re-integratieactiviteiten door de detacherende onderneming werden verricht en dat de medische situatie van de werknemer verslechterde, waardoor re-integratie niet mogelijk was. De Raad oordeelde echter dat de werkgever verantwoordelijk blijft voor de re-integratie en dat de medische situatie dit niet rechtvaardigde. Uit rapportages bleek dat passend werk mogelijk was en dat gedurende tien maanden geen re-integratieactiviteiten waren ondernomen.

De Raad bevestigde daarmee het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank Utrecht. Tevens werd geoordeeld dat het UWV terecht de WIA-aanvraag van de werknemer op grond van artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA mocht opschorten. De proceskosten werden niet aan de werkgever toegewezen.

Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd en de WIA-aanvraag terecht opgeschort.

Uitspraak

08/5365 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], gevestigd te [vestigingsplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 juli 2008, 07/2920 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 18 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft J.H.C. van Dongen, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, tegelijk met de gedingen 07/7069 WIA en 08/7101 WIA, plaatsgevonden op 26 augustus 2009. Voor appellante is Van Dongen verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.H. Beersma, mr. A.C. Arora en A.G.G. Schoonderbeek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft het Uwv het tijdvak waarin [naam werknemer] (hierna: de werknemer) jegens appellante als werkgever recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met 52 weken. Die verlenging – ook wel kortweg loonsanctie genoemd – is opgelegd per 9 april 2007, in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken, en op de grond dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest. Daarbij heeft het Uwv toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), in verbinding met artikel 65 van Pro de Wet WIA.
1.2. Bij besluit van 15 februari 2007 heeft in Uwv in verband met het opleggen van de loonsanctie de WIA-aanvraag van de werknemer opgeschort.
1.3. Appellante heeft tegen de beide besluiten van 15 februari 2007 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 3 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen beide besluiten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante verschillende grieven van algemene aard aangevoerd. Ten aanzien van de re-integratie-inspanningen heeft appellante naar voren gebracht dat zij enige tijd geen actie heeft ondernomen, omdat zij in de veronderstelling verkeerde dat de re-integratieactiviteiten zouden worden verricht door de onderneming waar de werknemer als gedetacheerde feitelijk werkzaam was. Daarnaast heeft appellante erop gewezen dat van haar geen re-integratie-inspanningen konden worden gevergd, omdat de medische belastbaarheid van de werknemer steeds verslechterde.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin de werknemer recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen door appellante, als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.
4.2. In zijn uitspraak van 18 november 2009, in de gedingen 07/7069 WIA en 08/7101 WIA, waarin Van Dongen voornoemd eveneens als gemachtigde is opgetreden, heeft de Raad alle grieven van de gemachtigde van appellante van meer algemene aard besproken en verworpen. De Raad volstaat hier met verwijzing naar die uitspraak.
4.3. Het Uwv heeft aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest, waar het de inspanningen gericht op re-integratie bij een andere werkgever – het zogenaamde tweede spoor – betreft. Daarbij is verwezen naar de rapportages van de arbeidsdeskundige van 7 februari 2007 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 29 augustus 2007. In de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige wordt het standpunt ingenomen dat in februari 2006 al duidelijk was dat voor de werknemer bij appellante geen passend werk voorhanden was en dat naar werk bij een andere werkgever diende te worden gezocht. Nu vervolgens gedurende tien maanden niets is gedaan aan re-integratie, is volgens het Uwv sprake van onvoldoende re-integratie-inspanningen.
4.4. De Raad is van oordeel dat het Uwv aannemelijk heeft gemaakt dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Uit het rapport van 21 februari 2006 van de door appellante ingeschakelde arbeidsdeskundige blijkt dat is vastgesteld dat appellante geen passend werk kon bieden en dat het tweede spoor moest worden ingezet. Door appellante is niet betwist dat zij niettemin nadien gedurende in ieder geval tien maanden geen re-integratieactiviteiten heeft verricht. Terecht heeft het Uwv het standpunt ingenomen dat appellante daarmee haar re-integratieverplichtingen heeft geschonden. De omstandigheid dat appellante in de veronderstelling verkeerde dat de re-integratieactiviteiten zouden worden verricht door BAM, de onderneming waar de werknemer als gedetacheerde feitelijk werkzaam was en waar hem een bedrijfsongeval is overkomen, levert geen deugdelijke grond op als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv dat appellante als werkgever verantwoordelijk is voor dere-integratie van de werknemer en dat aan deze verantwoordelijkheid niet kan afdoen dat een andere partij eventueel aansprakelijk is voor een bedrijfsongeval dat de werknemer is overkomen. Ook de stelling van appellante dat de medische belastbaarheid van de werknemer steeds verslechterde, levert niet een deugdelijke grond op. Die stelling vindt geen steun in de stukken, nog daargelaten de vraag of de verslechterende medische situatie een reden kon opleveren om re-integratie-inspanningen achterwege te laten. Uit de periodieke evaluatie van de bedrijfsarts van 13 februari 2006 en uit eerdergenoemd rapport van de arbeidsdeskundige van 21 februari 2006 blijkt dat de werknemer in staat was om passend werk te verrichten. In nadere evaluaties van de bedrijfsarts van 27 november 2006 en 19 januari 2007 wordt geen wezenlijke verandering in de medische situatie van de werknemer gemeld.
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat de Raad met de rechtbank van oordeel is dat het Uwv terecht een loonsanctie heeft opgelegd aan appellante. Daaruit vloeit voort dat het Uwv ook terecht op grond van artikel 64, zevende lid, van de Wet WIA de behandeling van de WIA-aanvraag heeft opgeschort. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en P.J. Jansen als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 november 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) F. Heringa.
JL