Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK3886

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-1426 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onjuistheid salarisschaalbesluit en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel

Appellant, sinds 1 december 2000 in dienst van de gemeente Rotterdam, werd per 1 maart 2004 bevorderd en ingeschaald volgens een onjuist besluit dat sprak van salarisschaal 6, periodieknummer 8. In werkelijkheid werd hij betaald volgens salarisschaal 6, periodieknummer 7. Na herstelbesluiten in 2006 verklaarde het college het bezwaar van appellant ongegrond.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Raad dat het besluit van 20 april 2005 onjuist was, maar dat het herstel daarvan terecht was. Appellant had vanaf maart 2004 het juiste salaris ontvangen, zodat terugvordering niet aan de orde was.

Verder oordeelde de Raad dat appellant redelijkerwijs had kunnen vaststellen dat het besluit onjuist was aan de hand van salarisspecificaties, en dat zijn beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat zijn ziekte niet met objectieve medische gegevens was onderbouwd. De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees vergoeding van proceskosten af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het salaris correct is betaald en wijst het beroep op het vertrouwensbeginsel af.

Uitspraak

08/1426 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2008, 07/52, (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam (hierna: college)
Datum uitspraak: 5 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is gevoegd met de zaak 08/1323 AW behandeld ter zitting van 24 september 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. H.D. van Duijvenbode, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J. van der Vlist, die werd bijgestaan door [S.] en [v.d. S.], allen werkzaam bij de gemeente Rotterdam. Op verzoek van appellant is ter zitting verschenen en als getuige gehoord [V.], wonende te [woonplaats].
Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst; thans wordt in de onderhavige zaak afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, die sinds 1 december 2000 in dienst is van de gemeente Rotterdam, werd met ingang van 1 maart 2003 benoemd in de functie van [functie] bij de dienst Stadstoezicht en ingeschaald in salarisschaal 5, periodieknummer 6. Op 1 december 2003 kreeg appellant een periodieke verhoging naar salarisschaal 5, periodieknummer 7.
1.2. Bij besluit van 20 april 2005 is appellant met ingang van 1 maart 2004 bevorderd en ingeschaald in salarisschaal 6, periodieknummer 8; vermeld is dat appellant direct vóór 1 maart 2004 bezoldigd werd naar salarisschaal 5, periodieknummer 8. Appellant werd echter per 1 maart 2004 feitelijk bezoldigd volgens salarisschaal 6, periodieknummer 7.
1.3. Bij besluit van 9 maart 2006 is het besluit van 20 april 2005 hersteld, in deze zin dat voor appellant met ingang van 1 maart 2004 salarisschaal 6, periodieknummer 7 geldt. Tegen het besluit van 9 maart 2006 heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.4. Bij besluit van 7 augustus 2006 is het besluit van 20 april 2005 nader hersteld, voor zover hier van belang in deze zin dat het salaris van appellant direct voor de bevordering per 1 maart 2004 is vastgesteld op salarisschaal 5, periodieknummer 7. Ook tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt.
1.5. Het college heeft bij het bestreden besluit van 22 november 2006 beide bezwaar-schriften ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Naar aanleiding van hetgeen partijen in hoger beroep hebben aangevoerd, overweegt de Raad het volgende.
3.1. Voor de Raad staat vast dat het besluit van 20 april 2005 onjuist is, zowel wat betreft de vermelding van het periodieknummer 8 van salarisschaal 5 direct vóór de datum van de bevordering van appellant per 1 maart 2004 als - ten gevolge hiervan - het periodiek-nummer 8 van schaal 6 per die datum. Bij de besluiten van 9 maart 2006 en 7 augustus 2006 zijn deze omissies terecht en juist hersteld. Er is in dit geval geen geschreven of ongeschreven rechtsregel aan te wijzen die aan dat herstel in de weg staat.
3.2. De Raad laat in dit verband wegen dat het salaris van appellant met ingang van 1 maart 2004 per maand is betaald volgens de op hem rechtsgeldig van toepassing zijnde salarisschaal en periodieknummer (06-07). Appellant heeft dus vanaf die datum niet te veel salaris ontvangen, zodat van een het aspect van rechtszekerheid rakende terug-vordering van salaris geen sprake is.
Voorts laat de Raad meewegen dat het voor appellant redelijkerwijs duidelijk kon en moest zijn dat het besluit van 20 april 2005 op beide aangewezen punten onjuist was. Appellant kon immers aan de hand van de salarisspecificaties sinds maart 2004 vaststellen dat zijn salaris niet werd betaald volgens salarisschaal 6, periodieknummer 8, maar met toepassing van salarisschaal 6, periodieknummer 7. De stelling van appellant dat hem dat wegens ziekte pas eind 2005 is gebleken, is niet onderbouwd met objectieve medische gegevens en slaagt dus niet.
Appellant kan onder deze omstandigheden ook niet met vrucht een beroep doen op het vertrouwensbeginsel, dit om te bewerkstelligen dat hij - in strijd met de voorschriften ter zake - met ingang van 1 maart 2004 alsnog bezoldigd wordt naar salarisschaal 6, periodieknummer 8, nog daargelaten dat appellant in de betrokken salarisbetalingen heeft berust.
3.2. De Raad miskent hiermee niet dat het college bij het nemen van het besluit van 20 april 2005 en de beide herstelbesluiten niet voldoende zorgvuldig ten aanzien van appellant is geweest. Dit leidt de Raad evenwel niet tot het oordeel dat het hoger beroep van appellant slaagt.
4. De Raad zal dan ook de aangevallen uitspraak bevestigen. Hij acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.G. Treffers als voorzitter en M.C. Bruning en G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 november 2009.
(get.) J.G. Treffers.
(get.) M.A. van Amerongen.
HD