ECLI:NL:CRVB:2009:BK3904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Onterechte toekenning en terugvordering aanvullende reiskostenvergoeding woon-werkverkeer
Appellant was werkzaam bij het projectbureau van Rijkswaterstaat en verhuisde per 1 oktober 2004 mee naar een nieuwe locatie als gevolg van de verhuizing van het Waterschapskantoor, niet vanwege de reorganisatie van 2005.
In 2006 ontving appellant een aanvullende reiskostenvergoeding op grond van een regeling die alleen gold voor standplaatswijzigingen door de reorganisatie. De minister stelde later vast dat deze vergoeding ten onrechte was toegekend en vorderde de helft van het te veel betaalde bedrag terug.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de regeling niet van toepassing was omdat de standplaatswijziging niet het gevolg was van de reorganisatie, en dat appellant redelijkerwijs had kunnen weten dat hij geen recht had op de vergoeding. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat de collega’s waarnaar appellant verwees wel een standplaatswijziging hadden door de reorganisatie.
De Raad bevestigde het bestreden besluit en verklaarde dat de minister bevoegd was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde vergoeding. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant ten onrechte een aanvullende reiskostenvergoeding ontving en dat de minister deze onverschuldigd betaalde vergoeding terecht mag terugvorderen.