ECLI:NL:CRVB:2011:BQ3508
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- M.C. Bruning
- G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde bezoldiging na voorlopige voorziening
Appellant, werkzaam als projectleider bij een gemeente, werd geschorst en ontslagen wegens ernstig plichtsverzuim. Tijdens bezwaarprocedures tegen deze besluiten kende de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening toe, waardoor appellant tot 24 januari 2005 zijn bezoldiging ontving.
Het college vorderde later de onverschuldigd betaalde bezoldiging terug, wat door de rechtbank werd bevestigd. Appellant stelde in hoger beroep dat het college niet bevoegd was tot terugvordering vanwege verjaring en schending van de zesmaandenjurisprudentie, en dat het college handelde in strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de betaling op grond van een voorlopige voorziening een voorlopig karakter heeft, waardoor appellant niet gerechtvaardigd kon vertrouwen op het behoud van de bezoldiging. Bovendien was de terugvordering tijdig en in lijn met geldende jurisprudentie. Het beroep van appellant werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van de onverschuldigd betaalde bezoldiging en wijst het hoger beroep van appellant af.