ECLI:NL:CRVB:2009:BK3933
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- W. Altenaar
- Rechtspraak.nl
Beëindiging wezenuitkering wegens niet-ouderloosheid ondanks ontbreken ouderlijk gezag vader
Appellante, geboren in 1991, verloor haar moeder in 2006. Na het overlijden van de moeder vroeg zij een wezenuitkering aan op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). De Sociale verzekeringsbank (Svb) kende aanvankelijk een uitkering toe, maar beëindigde deze later omdat de vader van appellante nog in leven was, waardoor appellante niet als ouderloos kon worden beschouwd.
In hoger beroep stelde appellante dat haar situatie gelijkgesteld moest worden aan die van een wees, aangezien haar vader nooit het ouderlijk gezag over haar had gehad. De Raad stelde vast dat de vader weliswaar erkend had, maar nooit gezag had en ook niet ontzet was uit het gezag. Volgens de ANW is alleen sprake van ouderloosheid indien de overblijvende ouder ontzet is uit het gezag.
De Raad concludeerde dat de wet geen ruimte biedt voor een ruimere interpretatie die appellante als ouderloos zou aanmerken. Eventuele lacunes in de wetgeving dienen door de wetgever te worden opgelost. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de wezenuitkering bevestigd omdat appellante niet als ouderloos kind in de zin van de ANW wordt aangemerkt.