Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4087

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3848 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, voormalig inpakster, ontving sinds 1996 een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 3 oktober 2005 in, omdat haar arbeidsongeschiktheid was gedaald tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze intrekking ongegrond, stellende dat het UWV de gezondheidstoestand en beperkingen juist had ingeschat en dat appellante geschikt was voor de geduide functies.

In hoger beroep voerde appellante aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat de geduide functies niet geschikt waren. De Raad overwoog dat geen nieuwe gezichtspunten waren ingebracht en dat de medische stukken, ook recent van neurologen en chirurg, geen objectiveerbare klachten toonden of behandelbare afwijkingen. De Raad onderschreef daarmee het oordeel van de rechtbank.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de aangevallen uitspraak en zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De intrekking van de WAO-uitkering blijft daarmee gehandhaafd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat de arbeidsongeschiktheid niet onjuist is ingeschat.

Uitspraak

08/3848 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 mei 2008, 06/218 (hierna: de aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.J. van der Woude, advocaat te Zutphen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is aan de orde gesteld ter zitting op 14 augustus 2009 waar de behandeling is geschorst. De behandeling is voortgezet op 9 oktober 2009, waar appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Woude. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.J. Belder.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellante was werkzaam als inpakster toen zij uitviel met pijnklachten en psychische klachten. Per 26 december 1996 is zij in aanmerking gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
2. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het Uwv de uitkering van appellante met ingang van 3 oktober 2005 ingetrokken, onder de overweging dat de mate van haar arbeidsonge-schiktheid met ingang van laatstgenoemde datum minder dan 15% was.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen de beslissing op bezwaar van 14 december 2005, waarbij het besluit van 2 augustus 2005 was gehandhaafd, ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat zij gelet op de gedingstukken en het verhandelde ter zitting van oordeel is dat het Uwv de gezondheidstoestand van appellante en de daaruit voortvloeiende beperkingen ten aanzien van haar arbeidsvermogen niet onjuist heeft ingeschat. De rechtbank is tot de slotsom gekomen dat door het Uwv in voldoende mate is gemotiveerd dat appellante weer in staat moet worden geacht arbeid, zoals onder andere in de geduide functies, te verrichten, ondanks de beperkingen die zij nog ondervindt.
4. In hoger beroep heeft appellantes gemachtigde herhaald dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat de geduide functies voor haar niet geschikt zijn.
5.1. De Raad overweegt dat namens appellante, in vergelijking met haar stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten naar voren zijn gebracht. De Raad is het eens met het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.
5.2. In een laat stadium in hoger beroep, daags voor de zitting, heeft appellante nog een pakket - deels bekende - medische stukken overgelegd, waaruit de Raad geen andere conclusie kan trekken dan dat appellante, zoals door het Uwv overigens ook niet wordt ontkend, inderdaad gezondheidsklachten heeft, maar dat die klachten niet objectiveerbaar zijn. De meest recente informatie van de neurologen E.H. van Keeken en K. Lemmen en de chirurg J. Seegers uit 2007 en 2008 vermeldt expliciet dat er geen behandelbare afwijkingen zijn gediagnosticeerd en dat er voor appellantes klachten geen verklaring kan worden gevonden.
5.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.C. Stam als voorzitter en A.T. de Kwaasteniet en M. Greebe als leden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 november 2009.
(get.) R.C. Stam.
(get.) F. Heringa.
CVG