ECLI:NL:CRVB:2010:BN6315
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen
Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2005 werd deze uitkering ingetrokken door het UWV, een besluit dat in een eerdere uitspraak werd bevestigd. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2006 vond een nieuw onderzoek plaats, waarbij enkele aanpassingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werden doorgevoerd, maar de arbeidsongeschiktheid bleef onder de 15%, waardoor een nieuwe uitkering werd geweigerd.
In 2007 werd een herbeoordeling uitgevoerd waarbij de klachten van appellante, waaronder die voortkomend uit een val op het werk in 2006, werden meegewogen. Medische specialisten konden geen aanvullende pathologie vaststellen. De FML werd opnieuw vastgesteld en de arbeidsdeskundige achtte appellante geschikt voor bepaalde functies, wat leidde tot een besluit tot weigering van de WAO-uitkering. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder verergerde rug- en hoofdpijnklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij daardoor niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Raad oordeelde echter dat de medische grondslag deugdelijk was, dat de klachten voldoende waren meegenomen en dat de eigen beleving van appellante geen aanleiding gaf tot verdere beperkingen. De geschiktheid van de functies was voldoende aangetoond, waardoor de intrekking van de WAO-uitkering werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens een deugdelijke medische grondslag en voldoende rekening houden met haar beperkingen.