ECLI:NL:CRVB:2010:BN6315

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 september 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-5487 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 34, vijfde lid, WAO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende medische beperkingen

Appellante ontving sinds 1996 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In 2005 werd deze uitkering ingetrokken door het UWV, een besluit dat in een eerdere uitspraak werd bevestigd. Na een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid in 2006 vond een nieuw onderzoek plaats, waarbij enkele aanpassingen in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) werden doorgevoerd, maar de arbeidsongeschiktheid bleef onder de 15%, waardoor een nieuwe uitkering werd geweigerd.

In 2007 werd een herbeoordeling uitgevoerd waarbij de klachten van appellante, waaronder die voortkomend uit een val op het werk in 2006, werden meegewogen. Medische specialisten konden geen aanvullende pathologie vaststellen. De FML werd opnieuw vastgesteld en de arbeidsdeskundige achtte appellante geschikt voor bepaalde functies, wat leidde tot een besluit tot weigering van de WAO-uitkering. Dit besluit werd door de rechtbank bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.

In hoger beroep voerde appellante aan dat haar lichamelijke en psychische klachten, waaronder verergerde rug- en hoofdpijnklachten, onvoldoende waren meegewogen en dat zij daardoor niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen. De Raad oordeelde echter dat de medische grondslag deugdelijk was, dat de klachten voldoende waren meegenomen en dat de eigen beleving van appellante geen aanleiding gaf tot verdere beperkingen. De geschiktheid van de functies was voldoende aangetoond, waardoor de intrekking van de WAO-uitkering werd bevestigd.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens een deugdelijke medische grondslag en voldoende rekening houden met haar beperkingen.

Uitspraak

09/5487 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 26 augustus 2009, 08/2298 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 juli 2010, waar appellante is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. de Graaf.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante ontving sinds 26 december 1996 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.2. Bij besluit van 2 augustus 2005 heeft het Uwv per 3 oktober 2005 de WAO-uitkering van appellante ingetrokken. Bij uitspraak van 20 november 2009, LJN BK4087, heeft de Raad geoordeeld dat dit besluit uitgaat van een juiste inschatting van de beperkingen van het arbeidsvermogen van appellante.
2. Naar aanleiding van een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid op 24 juni 2006, heeft er een verzekeringsgeneeskundig onderzoek plaatsgevonden waarbij is geconcludeerd dat de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) die ten grondslag lag aan de intrekking van de WAO-uitkering per 3 oktober 2005, op enkele punten dient te worden bijgesteld. Met inachtneming van de beperkingen in de aangepaste FML van 21 augustus 2006 heeft de arbeidsdeskundige een aantal functies geduid op basis waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante minder dan 15% blijft. Vervolgens is bij besluit van 6 oktober 2006 een WAO-uitkering geweigerd. Hiertegen is geen bezwaar ingesteld.
3. Ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO heeft een herbeoordeling plaatsgevonden van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 22 februari 2007 aan de hand van het Schattingsbesluit arbeidsongeschiktheidswetten, zoals dat gold tot 1 oktober 2004 (oSB). Verzekeringsarts M. Pool heeft bij het medisch onderzoek de (pijn)klachten die appellante heeft overgehouden aan een val op het werk op 23 oktober 2006 meegenomen. Mede op basis van ingewonnen informatie bij de behandelend neuroloog K. Lemmen en cardioloog W.F. Terpstra heeft de verzekeringsarts geconcludeerd dat de lichamelijke en psychische klachten niet verschillen van de klachten die appellante bij eerdere onderzoeken heeft gemeld. Met de aangenomen beperkingen in de FML van 21 augustus 2006, die opnieuw is vastgesteld op 20 december 2007, is met die klachten voldoende rekening gehouden. Arbeidsdeskundige D.H. Dantuma heeft appellante geschikt geacht voor een drietal functies, op basis waarvan haar mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% blijft. Dit is appellante meegedeeld bij besluit van 22 april 2008. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij besluit van 17 november 2008 (hierna: bestreden besluit ) ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden gehandhaafd en gesteld dat zowel haar lichamelijke als psychische beperkingen zijn onderschat. Zij geeft aan dat zij veel klachten heeft overgehouden aan een auto-ongeval in 1991. Bovendien zijn als gevolg van de val op haar werk op 23 oktober 2006 haar rugklachten verergerd, evenals de hoofdpijnklachten. Deze hoofdpijnklachten brengen mee dat zij zich minder kan concentreren. Ondanks medicatie blijft appellante last houden van haar klachten waardoor zij niet in staat is de voor haar geselecteerde functies vervullen.
6.1. De Raad overweegt het volgende.
6.2. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het bestreden besluit berust op een deugdelijk medische grondslag. De Raad neemt hierbij in aanmerking dat appellante in het kader van een herbeoordeling door verzekeringsarts Pool is onderzocht waarbij met name de aanhoudende (pijn)klachten als gevolg van de val op het werk op zijn meegewogen. Daarbij is betrokken de informatie van de neuroloog Lemmen en van cardioloog Terpstra die beiden op hun eigen terrein geen opvallende pathologie hebben kunnen vaststellen. Vervolgens heeft bezwaarverzekeringsarts F.J.J. van Gulick appellante nog nader onderzocht en hij heeft de conclusies van verzekeringsarts Pool onderschreven. Nu appellante in beroep noch in hoger beroep nadere medische gegevens in het geding heeft gebracht, is de Raad van oordeel dat de FML van 20 december 2007 in voldoende mate rekening houdt met de beperkingen en klachten van appellante. Haar eigen beleving van haar klachten kan, naar vaste rechtspraak, geen aanleiding vormen om verdergaande beperkingen aan te nemen.
6.3. Aangezien de Raad voorts van oordeel is dat het Uwv de geschiktheid van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in voldoende mate heeft aangetoond, is de Raad van oordeel dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
7. Voor een proceskostenveroordeling acht de Raad geen termen aanwezig.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 september 2010.
(get.) M. Greebe.
(get.) D.E.P.M. Bary.
NK