ECLI:NL:CRVB:2009:BK4099
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellant ontving sinds 1 maart 2004 een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80% of meer, welke vanaf 18 september 2006 werd aangepast naar 65-80% vanwege inkomsten uit parttime werk. Het UWV beëindigde de uitkering per 8 oktober 2007 op grond van een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd door de rechtbank ongegrond verklaard.
De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen twijfel bestond over de vastgestelde medische beperkingen. Ook werd geoordeeld dat appellant geen aanspraak kon maken op de Standaard Geen Duurzaam Benutbare Mogelijkheden of op een urenbeperking. De arbeidskundige beoordeling en de geschiktheid van de voorgehouden functies werden als voldoende gemotiveerd beschouwd.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn bezwaren, met name over de onderschatting van zijn psychische beperkingen en het verweer dat sprake was van ernstig disfunctioneren. De Centrale Raad van Beroep volgde echter de rechtbank en oordeelde dat het beroep ten aanzien van de medische aspecten niet slaagt. De rapportage van de bezwaarverzekeringsarts was afdoende gemotiveerd en er was geen aanleiding om te twijfelen aan de Functionele Mogelijkhedenlijst of de geschiktheid van de aangeboden functies.
De Raad bevestigde daarom het bestreden vonnis en wees het hoger beroep af. Tevens zag de Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van de WAO-uitkering wordt bevestigd.