ECLI:NL:CRVB:2009:BK4267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht kinderbijslag bij verblijf kinderen zonder verblijfsvergunning
Appellant vroeg op 11 september 2006 kinderbijslag aan voor zijn kinderen die sinds december 2002 zonder verblijfstitel in Nederland verbleven. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) kende de kinderbijslag toe met ingang van het derde kwartaal van 2005, waarna appellant bezwaar maakte. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat geen sprake was van een bijzonder geval dat een langere terugwerkende kracht rechtvaardigde.
In hoger beroep stelde appellant dat hij door onjuiste informatie van de Belastingdienst en vakbond niet wist dat hij recht had op kinderbijslag, waardoor hij bang was om verder te informeren. De Raad oordeelde echter dat deze onbekendheid niet verschoonbaar was, omdat appellant zelf bij de Svb had kunnen informeren.
De Raad bevestigde dat geen bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, AKW aanwezig was en dat de kinderbijslag daarom slechts met een jaar terugwerkende kracht kon worden toegekend. Tevens werd geen aanleiding gezien om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De kinderbijslag wordt slechts met een jaar terugwerkende kracht toegekend; het hoger beroep wordt afgewezen.