ECLI:NL:CRVB:2009:BK4616
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling terugwerkende kracht verhoging ouderdomspensioen en discretionaire bevoegdheid SVB
Appellant heeft vanaf augustus 1995 een ouderdomspensioen ontvangen op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag in 2007 het pensioen met terugwerkende kracht vanaf januari 2002, omdat zij ten onrechte de Wajong-uitkering van de echtgenote van appellant als inkomen in verband met arbeid had aangemerkt, waardoor een toeslag werd gekort.
De Svb corrigeerde deze fout met een nabetaling over maximaal vijf jaar en wees het bezwaar van appellant tegen deze beperkte terugwerkende kracht af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant deels gegrond vanwege het niet beslissen op verzoeken tot vergoeding van wettelijke rente en fiscale schade, maar wees het beroep verder af.
In hoger beroep betoogde appellant dat de correctie al vanaf augustus 1995 had moeten plaatsvinden. De Raad toetste of de Svb haar discretionaire bevoegdheid om terug te komen op rechtens onaantastbare besluiten volgens het beleid had toegepast. De Raad vond geen aanwijzingen dat de Svb in strijd met haar uitgangspunten had gehandeld en oordeelde dat het beleid rechtmatig is.
De Raad bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees een vergoeding van proceskosten af. De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 25 november 2009.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat de SVB het ouderdomspensioen niet verder dan vijf jaar terug mag verhogen en wijst het hoger beroep af.