Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK4779

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
19 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-7413 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.A.A.G. Vermeulen
  • K.J. Kraan
  • G.P.A.M. Garvelink-Jonkers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbArt. 91 Algemeen Rijksambtenarenreglement
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herroeping schorsingsbesluit en vernietiging ontslagbesluit wegens onjuiste uitvoering eerdere uitspraak

Appellante, werkzaam bij de Belastingdienst, werd geschorst en onvoorwaardelijk ontslagen wegens zeer ernstig plichtsverzuim, namelijk het te laat en niet doen van aangiftes inkomstenbelasting over meerdere jaren, wat leidde tot strafvervolging wegens een fiscaal omissiedelict. De rechtbank vernietigde de besluiten, wat door de Raad werd bevestigd met de opdracht aan de staatssecretaris om nieuwe besluiten te nemen.

De staatssecretaris handhaafde in het bestreden besluit het schorsings- en ontslagbesluit, waarbij appellante opnieuw werd verweten haar fiscale verplichtingen niet tijdig te hebben nagekomen, maar zonder het verwijt van het omissiedelict. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar de Raad oordeelde dat de staatssecretaris het ontslagbesluit onjuist uitvoerde door ondanks de eerdere uitspraak toch het ontslag te handhaven.

De Raad vernietigde daarom het ontslagbesluit en herroept het schorsingsbesluit wegens het ontbreken van een deugdelijke motivering. De staatssecretaris wordt opgedragen een nieuwe beslissing te nemen, waarbij alleen het plichtsverzuim met betrekking tot de belastingaangiftes wordt betrokken. Tevens veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van appellante.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het ontslagbesluit en herroept het schorsingsbesluit wegens onjuiste uitvoering van eerdere uitspraak en onvoldoende motivering.

Uitspraak

08/7413 AW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 25 november 2008, 07/2120 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Staatssecretaris van Financiën (hierna: staatssecretaris)
Datum uitspraak: 19 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. S.L.G.M. Roebroek, advocaat te Heerlen. De staatssecretaris heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. R.R. Janssen en mr. Q.A. Witsen Elias, beiden werkzaam bij de Belastingdienst.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante was sinds 1972 werkzaam bij de Belastingdienst, het laatst in de functie van [naam functie] Daarnaast was zij met haar partner eigenaar van een dansschool, waarvoor zij tevens de administratie verrichtte. Appellante is bij besluit van 14 juni 2004 geschorst op grond van artikel 91, eerste lid, aanhef en onder b, van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Dit schorsingsbesluit is bij besluit van 4 oktober 2004 (hierna: besluit 1) na bezwaar gehandhaafd.
1.2. Bij besluit van 20 september 2004 is aan appellante de straf van onvoorwaardelijk ontslag opgelegd wegens zeer ernstig plichtsverzuim. Na bezwaar is dit ontslagbesluit gehandhaafd bij besluit van 12 mei 2005 (hierna: besluit 2). Het appellante verweten plichtsverzuim bestond uit het te laat en het niet doen van aangiftes inkomstenbelasting (hierna: IB) over de jaren 1995 tot en met 2000 en uit het niet tijdig doen van aangifte IB over het jaar 2001, hetgeen heeft geleid tot strafvervolging wegens een fiscaal omissiedelict.
1.3. Besluit 1 en besluit 2 zijn bij uitspraak van de rechtbank Maastricht van 15 maart 2006 vernietigd. Die vernietiging is door de Raad bevestigd bij zijn uitspraak van 16 augustus 2007, 06/2049, 06/2071 en 06/2750 AW, LJN BB2591 (hierna: CRvBuitspraak), met dien verstande dat de staatssecretaris de opdracht is gegeven nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van de CRvBuitspraak.
1.4. Bij besluit van 26 oktober 2007 (hierna: bestreden besluit) heeft de staatssecretaris nieuwe beslissingen op bezwaar genomen: hij heeft het bezwaar tegen het schorsings-besluit en het bezwaar tegen het ontslagbesluit (wederom) ongegrond verklaard. Hij heeft appellante opnieuw verweten dat zij haar fiscale verplichtingen over de jaren 1995 tot 2001 niet (tijdig) is nagekomen. Gelet op de CRvBuitspraak is appellante niet langer verweten dat zij strafrechtelijk is vervolgd wegens het plegen van een omissiedelict.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft met betrekking tot het ontslagbesluit tot uitgangspunt genomen dat zij “enkel nog te beoordelen (had) of de opgelegde straf, het ontslag, in verhouding staat tot de aard en ernst van het reeds vastgestelde plichtsverzuim”.
3. Appellante heeft in hoger beroep vooropgesteld dat de staatssecretaris na de CRvBuitspraak haar niet langer verwijt dat zij door haar handelen is geconfronteerd met een strafrechtelijke vervolging wegens het plegen van een fiscaal omissiedelict. Appellante meent dat de rechtbank zich had behoren te realiseren dat dit wezenlijke consequenties heeft. Zij acht, in het licht van het gewijzigde feitencomplex, het onder 2 geciteerde uitgangspunt van de rechtbank niet naar behoren gemotiveerd. Verder heeft appellante, die erkent dat zij te laat belastingaangiftes heeft gedaan maar stelt dat daarvoor redenen waren, onder meer betoogd dat zij er ten onrechte van is beschuldigd enkele keren geen aangifte te hebben gedaan.
4. De staatssecretaris heeft in de CRvBuitspraak nog ruimte gezien, ook na de beperking door hem van het aan appellante verweten plichtsverzuim, opnieuw de zwaarste straf van ontslag op te leggen. Hij zag zich wel gehouden een betere motivering daarvan te geven, hetgeen hij, naar zijn mening, bij het bestreden besluit heeft gedaan. Met betrekking tot het verwijt dat appellante niet alleen te laat aangiftes deed, maar ook soms geen aangifte deed, heeft de staatssecretaris erop gewezen dat dit verwijt bezien moet worden tegen de achtergrond van de opvatting in het belastingrecht dat een na een ambtshalve opgelegde aanslag gedane ‘aangifte’ niet meer als aangifte wordt aangemerkt (maar wordt beschouwd als een bezwaarschrift tegen de ambtshalve aanslag).
5. De Raad overweegt naar aanleiding hiervan het volgende.
5.1. Ontslag
5.1.1. De Raad volgt appellante in haar betoog over de betekenis van de CRvBuitspraak. Bij die uitspraak heeft de Raad geoordeeld dat de staatssecretaris er “vooralsnog” niet van kon uitgaan dat appellante het fiscaal omissiedelict had begaan. Naar het oordeel van de Raad berustte dat verwijt niet op een voldoende feitelijke grondslag. Waar dit verwijt (nog) niet mede aan de straf ten grondslag kon worden gelegd, achtte de Raad de straf van ontslag (nog) niet houdbaar omdat hij die niet in verhouding zag staan tot aard en ernst van het plichtsverzuim dat daaraan (voor het overige) ten grondslag was gelegd.
5.1.2. De staatssecretaris heeft bij het bestreden besluit appellante niet meer het verwijt gemaakt van het begaan van het omissiedelict. Hij heeft het aan appellante verweten plichtsverzuim beperkt tot het niet nakomen door haar van haar fiscale verplichtingen.
5.1.3. Dit plichtsverzuim was eerder aan de orde in de CRvBuitspraak. Daarin heeft de Raad het opleggen van de straf van ontslag, zoals hiervoor onder 5.1.1 reeds is opgemerkt, enkel ter zake van dat plichtsverzuim in rechte niet houdbaar geacht. Nu de staatssecretaris zich in het bestreden besluit heeft beperkt tot het plichtsverzuim dat de Raad in de CRvBuitspraak onvoldoende heeft geacht voor het opleggen van de straf van ontslag, moet worden vastgesteld dat de staatssecretaris door niettemin opnieuw de straf van ontslag te geven, een onjuiste uitvoering heeft gegeven aan de CRvBuitspraak. De rechtbank heeft het bestreden besluit dus wat betreft de handhaving van het ontslagbesluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet in zoverre worden vernietigd.
5.1.4. De staatssecetaris zal met inachtneming van hetgeen de Raad hierboven heeft overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar moeten nemen. Het daarbij in aanmerking te nemen plichtsverzuim betreft (slechts) de appellante bij het bestreden besluit verweten onjuiste gedragingen met betrekking tot haar aangiftes IB 1995 tot en met 2001. Ingevolge de CRvBuitspraak behoort tot die gedragingen ook het niet doen van aangifte, voor de betekenis waarvan de Raad verwijst naar het betoog van de staatssecretaris als weergegeven onder 4.
5.2. Schorsing
5.2.1. In de CRvBuitspraak is overwogen en beslist dat er voor de schorsing geen toereikende grondslag was. Bij het bestreden besluit is niet een nieuw feit aangevoerd dat maakt dat de Raad thans kan zeggen dat er wel een toereikende grondslag was. Bij de aangevallen uitspraak is het bestreden besluit dus ook wat betreft de handhaving van het schorsingsbesluit ten onrechte in stand gelaten. De aangevallen uitspraak moet ook in zoverre worden vernietigd.
5.2.2. Vastgesteld moet worden dat er voor het schorsingsbesluit niet een deugdelijke motivering te geven is. De Raad zal daarom met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het schorsingsbesluit herroepen.
6. De Raad ziet in het vorenstaande aanleiding de staatssecretaris met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in beroep en op € 644,- wegens kosten van rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal op € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep van appellante tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Draagt de staatssecretaris op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het ontslagbesluit met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Herroept het schorsingsbesluit;
Veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-;
Bepaalt dat de staatssecretaris aan appellante het door haar in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 359,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en K.J. Kraan en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 november 2009.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
HD