Appellante is wegens beenklachten arbeidsongeschikt verklaard en verzocht om een WIA-uitkering, die door het UWV werd geweigerd omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Zowel de rechtbank als de Raad bevestigden dat de medische onderbouwing onvoldoende was om het oordeel van het UWV te betwisten. Appellante stelde dat zij niet in staat was voltijds te werken en voerde bezwaren aan tegen de arbeidskundige beoordeling, waaronder het onterecht meenemen van functies waarvoor zij niet over het vereiste HBO-niveau beschikte.
De Raad concludeerde dat de medische beoordeling juist was, maar dat de arbeidskundige motivering pas in hoger beroep adequaat was onderbouwd. Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter geheel in stand conform artikel 8:72, derde lid, Awb.
Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellante in beroep en hoger beroep, inclusief het betaalde griffierecht. De uitspraak bevestigt het belang van een deugdelijke arbeidskundige motivering bij besluiten over arbeidsongeschiktheid en de mogelijkheid tot vernietiging bij gebreken daarin.
Uitkomst: Het besluit tot weigering van de WIA-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende arbeidskundige motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.
Uitspraak
08/1735 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 12 februari 2008, 07/700,
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 27 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 21 september 2009 heeft mr. B.E. Crone, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, gevestigd te Tilburg, zich als opvolgend gemachtigde van appellante gesteld. Tevens zijn aanvullende beroepsgronden ingediend.
Van de zijde van het Uwv is daarop gereageerd bij brief van 2 oktober 2009, met als bijlagen een rapport van 1 oktober 2009 van de bezwaararbeidsdeskundige H.G. Coerts, een arbeidsmogelijkhedenlijst en formulieren resultaat functiebeoordeling.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2009. Appellante is met kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich doen vertegenwoordigen door W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante is op 17 februari 2005 wegens beenklachten uitgevallen voor de door haar op dat moment via een uitzendbureau in een omvang van -minimaal - 32 uur per week verrichte werkzaamheden als administratief medewerkster.
1.2. Bij besluit van 11 januari 2007 heeft het Uwv aan appellante meegedeeld dat voor haar met ingang van 22 februari 2007 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht in de zin van die wet.
1.3. Bij besluit van 29 mei 2007, hierna: het bestreden besluit, is het door appellante tegen het besluit van 11 januari 2007 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het tegen dat besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts appellante vanwege aspecifieke klachten van het rechterbeen beperkt heeft geacht ten aanzien van zwaardere beenbelasting. Indien bij het verrichten van werkzaamheden met de door hem in aanmerking genomen beperkingen rekening wordt gehouden, zijn er volgens de verzekeringsarts geen medische gronden voor het aannemen van een urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft geen medische argumenten gezien om af te wijken van het primaire medische oordeel. De rechtbank heeft overwogen dat de beschikbare medische stukken geen aanknopingspunt bieden voor de opvatting dat appellante op 22 februari 2007 meer objectief medisch beperkt was dan door het Uwv is vastgesteld, terwijl voorts appellante geen medische informatie heeft ingezonden die aanleiding geeft de conclusies waartoe de verzekeringsartsen zijn gekomen voor onjuist te houden. Appellante moet daarom naar het oordeel van de rechtbank in staat worden geacht om de door de arbeidsdeskundige geduide arbeid, die qua belasting in overeenstemming is met de voor haar vastgestelde medische beperkingen, fulltime te verrichten.
3.1. Appellante heeft in hoger beroep in de eerste plaats verwezen naar al hetgeen zij reeds in de bezwaar- en beroepsprocedure naar voren heeft gebracht. Zij acht zich vanwege haar rechterbeenklachten tengevolge van vaatproblemen niet in staat tot het verrichten van arbeid in een voltijdse omvang. Zij wijst er daarbij op dat ze in een omvang van 25 uur per week werkzaam is in de kinderopvang, hetgeen zij als het maximaal haalbare ervaart. Appellante heeft aangegeven nog doende te zijn een verklaring te verkrijgen van haar behandelend internist dr. Van der Meer.
3.2. Daarnaast heeft appellante nog gronden doen aanvoeren tegen de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. In dit verband is gesteld dat zij niet beschikt over het voor de functies artsenbezoeker en intercedent vereiste HBO-niveau, zodat die beide functies ten onrechte bij de schatting als voor haar passende arbeidsmogelijkheden in aanmerking zijn genomen. Voorts is aangegeven dat ook de functie van magazijnmedewerker dient te vervallen, nu zij niet beschikt over een jaar werkervaring, zoals wordt gevraagd.
4.1. De Raad komt met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit niet tot een ander oordeel dan de rechtbank. De Raad kan zich vinden in de te dier zake door de rechtbank gegeven overwegingen en het daarop gegronde oordeel. De Raad stelt vast dat de in het beroepschrift in het vooruitzicht gestelde medische onderbouwing van de eigen opvatting van appellante met informatie van haar behandelend internist er niet is gekomen. Enkel de eigen subjectieve opvatting van appellante inzake de ernst van haar beperkingen en de noodzaak tot een urenbeperking is in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidscriterium onvoldoende om twijfel op te roepen aan de juistheid van de ten aanzien van haar vastgestelde belastbaarheid.
4.2. Met betrekking tot de aangevoerde arbeidskundige grieven geldt het volgende. Blijkens zijn rapport van 1 oktober 2009 beschikt volgens bezwaararbeidsdeskundige Coerts appellante bij nader inzien inderdaad niet over een HBO-opleidingsniveau, in verband waarmee de functies artsenbezoeker, dierenartsbezoeker en arbeidsbemiddelaar, personeelsfunctionaris niet kunnen dienen als valide grondslag voor de onderhavige arbeidsongeschiktheidsbeoordeling.
4.3. De bezwaararbeidsdeskundige heeft nieuwe functies geselecteerd en vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante, gegeven de aan die functies (boekhouder/loonadministrateur, magazijnmedewerker en administratief medewerker, beginnend) te ontlenen verdiencapaciteit, onverminderd uitkomt op minder dan 35%. De bezwaararbeidsdeskundige is daarbij ervan uitgegaan dat de grief van appellante met betrekking tot de werkervaringseis van een jaar in de functie van magazijnmedewerker ten onrechte is voorgedragen, nu het daarbij gaat om een algemene eis wat betreft werkervaring - waaraan appellante voldoet - en niet om een werkervaringseis die uitsluitend ziet op de functie van magazijnmedewerker. De Raad heeft geen aanleiding om die uitleg voor onjuist te houden. Datzelfde geldt voor de schattingsuitkomst.
4.4. Wel overweegt de Raad dat, nu het bestreden besluit eerst in de fase van het hoger beroep van een deugdelijke arbeidskundige motivering is voorzien, aanleiding bestaat om dat besluit te vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Tevens bestaat aanleiding te bepalen dat de rechtsgevolgen ervan met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb geheel in stand blijven.
4.5. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 vanPro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en eveneens op
€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond, vernietigt dat besluit en bepaalt dat de rechtsgevolgen ervan geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het betaalde griffierecht van € 146,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en R. Kruisdijk als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 november 2009.