ECLI:NL:CRVB:2009:BK4991
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.M. van der Kade
- H.J. Simon
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Weigering kinderbijslag wegens onvoldoende binding met Nederland
Appellante had een verblijfsvergunning en vroeg kinderbijslag aan voor haar kinderen met ingang van een eerder tijdvak dan het eerste kwartaal van 2006. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde dit omdat zij volgens de AKW niet verzekerd was in die periode.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en ook in hoger beroep handhaafde de Centrale Raad van Beroep deze beslissing. De Raad oordeelde dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellante op de relevante peildata niet in Nederland lag, ondanks dat zij woonruimte had en haar kinderen in Nederland naar school gingen.
De Raad baseerde zich op het totaalbeeld van juridische, economische en sociale factoren en concludeerde dat appellante niet als ingezetene kon worden aangemerkt. Hierdoor had zij geen recht op kinderbijslag voor de betwiste tijdvakken. De Raad liet de vraag of sprake was van een bijzonder geval in de zin van artikel 14, derde lid, AKW, buiten beschouwing. Het hoger beroep werd afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering om kinderbijslag toe te kennen voor perioden vóór het eerste kwartaal van 2006 wegens onvoldoende binding met Nederland.