ECLI:NL:CRVB:2009:BK5113

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-728 WWB + 08-729 WWB + 08-734 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en bijstand art. 17Wet werk en bijstand art. 54Wet werk en bijstand art. 58
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen banktegoed

Appellant ontving vanaf januari 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding van de Belastingdienst stelde het College een onderzoek in waaruit bleek dat appellant bij aanvang van de bijstand beschikte over een banktegoed van €10.000, wat het vrij te laten vermogen overschreed.

Het College trok de bijstand over de periode januari tot november 2004 in en vorderde €4.935 terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij vermogen boven de toegestane grens bezat. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat het banktegoed bestemd was voor zijn studerende dochter, waarop hij een wettelijke onderhoudsverplichting had. De Raad oordeelde dat de bestemming van het saldo niet relevant is, omdat appellant de beschikking had over het saldo. De onderhoudsverplichting maakte dit niet anders.

De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee het besluit van het College. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen banktegoed wordt bevestigd.

Uitspraak

08/728 WWB
08/729 WWB
08/734 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 14 december 2007, 07/181, 07/3213 en 07/6099 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem (hierna: College)
Datum uitspraak: 24 november 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 oktober 2009. Voor appellant is mr. Janszen verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door R. de Vos, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontvangt vanaf 25 januari 2004 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Naar aanleiding van een melding van de Belastingdienst heeft het College een onderzoek ingesteld naar de op naam van appellant staande bankrekeningen. Daaruit is gebleken dat op het moment van aanvang van de bijstand op één van de bankrekeningen van appellant bij de ING Bank een bedrag van € 10.000,-- stond.
1.3. Bij besluit van 26 april 2006 heeft het College de bijstand van appellant over de periode van 25 januari 2004 tot en met 19 november 2004 ingetrokken en de kosten van de over die periode verleende bijstand tot een bedrag van € 4.935,-- van appellant teruggevorderd. Het College heeft aan het besluit ten grondslag gelegd dat appellant in strijd met de wettelijke inlichtingenverplichting verzuimd heeft het College mededeling te doen van het feit dat hij op 25 januari 2004 beschikte over vermogen boven de voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen.
1.4. Bij besluit van 21 november 2006 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2006 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - voor zover in de onderhavige procedure van belang - het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd voor zover het beroep tegen het besluit van 21 november 2006 ongegrond is verklaard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Niet in geschil is - en evenals de rechtbank gaat ook de Raad daarvan uit - dat appellant gedurende de in geding zijnde periode beschikte over vermogen in de vorm van een banktegoed dat de destijds voor hem geldende grens van het vrij te laten vermogen overschreed.
4.2. Appellant heeft in hoger beroep als enige grief aangevoerd dat het op zijn bankrekening staande saldo bestemd was voor zijn studerende dochter.
4.3. Die grief treft geen doel. De Raad neemt daarbij in aanmerking dat de bestemming van het banksaldo van de op zijn naam staande bankrekening niet relevant is, nu vaststaat dat appellant de beschikking had over het voornoemde saldo op de bankrekening. Het enkele feit dat appellant, naar hij aanvoert, een wettelijke onderhoudsverplichting jegens zijn dochter heeft, maakt dit niet anders.
4.4. De Raad komt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover deze is aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs als voorzitter en R. Kooper en J.J.A. Kooijman als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 november 2009.
(get.) R.H.M. Roelofs.
(get.) R.L.G. Boot.
mm