ECLI:NL:CRVB:2009:BK5113
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- R. Kooper
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens verzwegen banktegoed
Appellant ontving vanaf januari 2004 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een melding van de Belastingdienst stelde het College een onderzoek in waaruit bleek dat appellant bij aanvang van de bijstand beschikte over een banktegoed van €10.000, wat het vrij te laten vermogen overschreed.
Het College trok de bijstand over de periode januari tot november 2004 in en vorderde €4.935 terug, omdat appellant niet had gemeld dat hij vermogen boven de toegestane grens bezat. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat het banktegoed bestemd was voor zijn studerende dochter, waarop hij een wettelijke onderhoudsverplichting had. De Raad oordeelde dat de bestemming van het saldo niet relevant is, omdat appellant de beschikking had over het saldo. De onderhoudsverplichting maakte dit niet anders.
De Raad verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde daarmee het besluit van het College. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand wegens verzwegen banktegoed wordt bevestigd.