ECLI:NL:CRVB:2009:BK5636
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding
Appellanten ontvingen bijstand, waarbij het College op grond van een onderzoek concludeerde dat zij vanaf 1985 een gezamenlijke huishouding voerden, ondanks dat zij op verschillende adressen stonden ingeschreven. Dit leidde tot intrekking van de bijstand vanaf 1997 en terugvordering van €108.220,75.
De Raad oordeelt dat de verklaringen van appellanten aan de sociale recherche, vastgelegd in een proces-verbaal, voldoende bewijs vormen voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding. Het feit dat appellant een zwervend bestaan leidde en dat appellante de situatie niet als samenwoning beschouwde, doet hieraan niet af.
Verder is vastgesteld dat appellante haar inlichtingenplicht heeft geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor het College bevoegd was tot intrekking en terugvordering. Argumenten van appellanten over het niet direct starten van onderzoek na een eerdere anonieme tip en verzoeken tot beperking van terugvordering worden verworpen.
De Raad bevestigt dat appellant als persoon met wiens middelen rekening gehouden moest worden, terecht is betrokken bij de terugvordering. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Utrecht bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en intrekking en terugvordering bijstand bevestigd.