ECLI:NL:CRVB:2009:BK5666
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beoordeling gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstand op grond van WWB
In deze zaak stond centraal of betrokkene en [naam N.I.] in de periode van 15 december 2004 tot en met 22 januari 2006 een gezamenlijke huishouding voerden, hetgeen van belang was voor de rechtmatigheid van de verleende bijstand aan [naam N.I.]. De gemeente Nijmegen had een terugvordering ingesteld omdat zij meende dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding, waardoor de bijstand ten onrechte als alleenstaande was toegekend.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de bevindingen van het onderzoek van het Bureau Handhaving onvoldoende waren om het standpunt van de gemeente te ondersteunen. Uit verklaringen van betrokkene en [naam N.I.] bleek dat zij financieel gescheiden leefden en dat er geen duidelijke mate van financiële verstrengeling of wederzijdse zorg bestond. Ook andere feiten zoals gezamenlijke huishoudelijke taken of gezamenlijke aankopen ontbraken.
De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat het standpunt van de gemeente niet op een deugdelijke grondslag berust. De terugvordering van bijstand over de periode voorafgaand aan de geboorte van het kind werd daarom vernietigd en de gemeente werd opgedragen een nieuwe beslissing te nemen.
De uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige bewijsvoering door het bestuursorgaan bij het vaststellen van een gezamenlijke huishouding in het kader van de WWB en onderstreept de bewijslast die op het bestuursorgaan rust bij belastende besluiten.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat er onvoldoende bewijs is voor een gezamenlijke huishouding in de betwiste periode, vernietigt het terugvorderingsbesluit en bepaalt dat de gemeente een nieuwe beslissing neemt.