Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK5681

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 november 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5655 WUV
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945Art. 1:3 Algemene wet bestuursrechtArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van bijstelling periodieke uitkering wegens nabetaling partnertoeslag AOW

Betrokkene ontving sinds 1995 een periodieke uitkering ingevolge de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945. Bij een berekeningsbeschikking van 31 december 2007 werd de uitkering voorlopig bijgesteld vanwege een nabetaling van de partnertoeslag AOW die op de uitkering in mindering moest worden gebracht. Betrokkene maakte bezwaar tegen deze korting en de terugvordering, stellende dat de partnertoeslag voor zijn partner was bedoeld en de terugvordering onrechtmatig was.

De bezwaarprocedure leidde tot een besluit van de Raadskamer WUV waarin het bezwaar tegen de bijstelling ongegrond werd verklaard en het bezwaar tegen de terugvordering niet-ontvankelijk werd verklaard omdat hierover nog geen besluit was genomen. Betrokkene ging in beroep, maar overleed in de procedure waarna het beroep werd voortgezet door appellanten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wet dwingend voorschrijft dat de partnertoeslag AOW op de periodieke uitkering in mindering wordt gebracht en dat de wet geen afwijkingsmogelijkheid biedt. De wetsgeschiedenis toont aan dat dit berust op het aanvullend karakter van de Wet ten opzichte van het gezamenlijk gezinsinkomen. De Raad kan niet treden in de afweging van de wetgever. Daarnaast is vastgesteld dat er geen besluit tot terugvordering is genomen, zodat bezwaar daartegen niet-ontvankelijk is. Het beroep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de voorlopige bijstelling van de periodieke uitkering wegens nabetaling partnertoeslag AOW wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

08/5655 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellanten], laatstelijk wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 26 november 2009
I. PROCESVERLOOP
[Betrokkene] (hierna: betrokkene) heeft bij leven beroep ingesteld tegen het besluit van verweerster van 15 augustus 2008, kenmerk BZ 47603, JZ/C80/2008 (hierna: bestreden besluit), genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet). Betrokkene is op 15 september 2009 overleden, waarna het geding ten name van appellanten is voortgezet.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 oktober 2009. Appellanten zijn daar niet verschenen, terwijl verweerster zich ter zitting heeft laten vertegenwoordigen door J.J.G.A. Theelen, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Betrokkene, geboren in 1930, ontving sedert 1 november 1995 een periodieke uitkering ingevolge de Wet. Bij berekeningsbeschikking van 31 december 2007, toegelicht bij brief van 27 december 2007, is de periodieke uitkering van betrokkene over de periode 1 juli 2003 tot 1 januari 2006 voorlopig bijgesteld. Hierbij is ook een bedrag aan te veel betaalde periodieke uitkering voorlopig vastgesteld. Dit is gebeurd in verband met een over de genoemde periode door betrokkene ontvangen, op de periodieke uitkering in mindering te brengen nabetaling partnertoeslag ingevolge de AOW. In deze brief is verder vermeld dat bij de Sociale Verzekeringsbank over de nabetaling nadere gegevens zijn opgevraagd en dat na ontvangst daarvan een definitieve vaststelling van het te veel uitbetaalde bedrag aan periodieke uitkering zal plaatsvinden, waarna dit bedrag zal worden teruggevorderd.
1.2. Namens betrokkene is hiertegen bezwaar gemaakt. Aangevoerd is dat de partnertoeslag ten onrechte is gekort omdat deze niet voor betrokkene maar voor zijn partner was bedoeld en dat daarom ook de terugvordering onrechtmatig is. Dit bezwaar, voor zover gericht tegen de voorlopige bijstelling van de periodieke uitkering, is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard onder overweging dat ingevolge artikel 19 van Pro de Wet ook de partnertoeslag AOW op de periodieke uitkering in mindering moet worden gebracht. Het bezwaar ten aanzien van de terugvordering is niet-ontvankelijk verklaard aangezien in de berekeningsbeschikking en de toelichtende brief (nog) geen besluit daartoe is opgenomen.
1.3. In beroep heeft betrokkene zijn in bezwaar naar voren gebrachte grief gehandhaafd. Toegelicht is dat de nabetaling van partnertoeslag AOW heeft plaatsgevonden omdat zijn echtgenote wegens ziekte niet meer kon werken.
2. De Raad dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit, gelet op hetgeen in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden. Hiertoe wordt overwogen als volgt.
2.1. In artikel 19, eerste lid, onder b, van de Wet is inderdaad dwingend voorgeschreven dat ook de partnertoeslag AOW op de periodieke uitkering in mindering wordt gebracht. De Wet bevat geen mogelijkheid om hiervan af te wijken. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat dit voorschrift berust op het uitgangspunt dat de Wet een aanvullend karakter heeft ten opzichte van het gezamenlijk gezinsinkomen. Dat hierbij onder meer wel een uitzondering geldt voor door de echtgenoot en minderjarige kinderen genoten inkomsten uit arbeid, maar niet voor de partnertoeslag AOW die wordt verstrekt omdat de partner geen inkomsten uit arbeid heeft (waarbij de reden daarvan niet van belang is), berust op een afweging van de wetgever waarin de Raad niet kan treden. In dit opzicht is het bezwaar dus terecht ongegrond verklaard.
2.2. De aangevochten berekeningsbeschikking van 31 december 2007 noch de daarbij behorende brief van 27 december bevatten enig daadwerkelijk besluit tot terugvordering van te veel uitbetaalde periodieke uitkering. Dat een zodanige terugvordering al wel wordt aangekondigd heeft geen rechtsgevolg en is daarom niet een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) waartegen bezwaar en beroep kan worden ingediend. Dit betekent dat het bezwaar in zoverre terecht niet-ontvankelijk is verklaard.
3. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat het bestreden besluit in rechte kan standhouden zodat het ingestelde beroep ongegrond dient te worden verklaard.
4. De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Awb inzake een vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en G.L.M.J. Stevens en G.W.B. van Westen als leden, in tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2009.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
HD