ECLI:NL:CRVB:2009:BK5968

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4020 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid in april 2007

Appellant heeft zich in april 2007 gemeld bij het UWV met een melding van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het UWV wees een WAO-uitkering af op grond van een medisch onderzoek in juni 2007. Het bezwaar van appellant werd ongegrond verklaard door het UWV en bevestigd door de rechtbank, die oordeelde dat de medische rapporten geen aanwijzingen bevatten voor een toename van arbeidsongeschiktheid op de relevante datum.

Appellant stelde in hoger beroep dat latere medische verklaringen en een besluit van mei 2009, waarin alsnog een WAO-uitkering werd toegekend met ingang van november 2007, bevestigen dat hij ook in april 2007 reeds arbeidsongeschikt was. De Raad overwoog echter dat de latere toekenning betrekking heeft op een andere datum en dat de medische gegevens voor april 2007 geen toename van beperkingen aantonen.

De Raad onderschreef de eerdere bevindingen van de rechtbank en de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts. De nadere verklaring van dr. A. El Hamdouchi bracht geen nieuwe inzichten die tot een ander oordeel konden leiden. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAO-uitkering per april 2007 wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4020 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juni 2008, kenmerk 07/2216
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. P.H.A. Brauer, advocaat te Heerlen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 oktober 2009. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. van der Wal.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Voor een overzicht van de voor dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Appellant heeft zich bij brief van 23 april 2007 bij het Uwv toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 3 juni 2007 heeft het Uwv geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet op de arbeids-ongeschiktheidsverzekering (WAO). Bij besluit van 28 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juni 2007 ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanknopingspunten gevonden om de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten, dan wel onzorgvuldig voorbereid of ondeugdelijk gemotiveerd. De namens appellant overgelegde brief van psychiater J. Minis van 10 december 2007 alsmede een opgesteld behandelingsplan van 28 januari 2008 hebben de rechtbank niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Uit voornoemde informatie blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de geestelijke gezondheidstoestand van appellant eind 2007/begin 2008 verschilt van appellants gesteldheid ten tijde van het onderzoek door de verzekeringsarts M. van Hoof op 12 juni 2007. Ook in de door appellant overgelegde verklaring van dr. A. El Hamdouchi van 20 september 2007 heeft de rechtbank geen aanknopingspunten kunnen vinden dat appellant op de in geding zijnde datum meer arbeidsongeschikt was. De rechtbank verenigt zich dan ook met het gegeven commentaar van de bezwaarverzekeringsarts Corten, zoals vermeld in diens aanvullende rapportages van 8 januari 2008, 25 februari 2008 en 18 maart 2008.
3. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd vormt een herhaling van hetgeen hij reeds in beroep naar voren heeft gebracht. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een nadere verklaring van dr. A. El Hamdouchi van 23 juni 2008 overgelegd. Voorts is door appellant een nader besluit van 27 mei 2009 in het geding gebracht waaruit blijkt dat het Uwv aan appellant met ingang van 29 november 2007 alsnog een WAO-uitkering heeft toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant vindt in de heropening van de WAO-uitkering per november 2007 een bevestiging van zijn standpunt dat hij ook in mei 2007 reeds arbeidsongeschikt was.
4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.2. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Hetgeen appellant in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen leiden. De Raad ziet in de door appellant in hoger beroep ingebrachte nadere verklaring van dr. A. El Hamdouchi van 23 juni 2008 geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. Dat geldt ook voor de omstandigheid dat bij besluit van 27 mei 2009 alsnog per 29 november 2007 een WAO-uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. In het kader van de voorliggende beoordeling kan geen betekenis worden toegekend aan het feit dat op grond van dezelfde medische informatie aan appellant, achteraf, per 29 november 2007, alsnog een uitkering is toegekend, nu het hier om een andere datum in geding gaat. Op grond van de beschikbare medische gegevens kan niet worden geoordeeld dat op de in geding van belang zijnde datum, april 2007, een relevante toename heeft voorgedaan van de beperkingen van appellant.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 december 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) F. Heringa.
IvR