ECLI:NL:CRVB:2009:BK6375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van het Uwv om zijn WAO-uitkering per 13 februari 2004 te beëindigen wegens een afgenomen mate van arbeidsongeschiktheid tot minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De rechtbank baseerde haar oordeel op rapporten van een door haar benoemde onafhankelijke deskundige, psychiater Koerselman.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen werden onderschat en dat de deskundige niet adequaat was geconfronteerd met de visie van zijn behandelend psychiater Mengelberg. Tevens verzocht hij om benoeming van een deskundige internist. De Raad oordeelde dat de rapporten van Koerselman gemotiveerd en consistent waren en dat de deskundige de afwijkende visie van Mengelberg voldoende had betrokken, met name over de urenbeperking.
De Raad vond geen aanleiding om af te wijken van het uitgangspunt dat het oordeel van een onafhankelijke deskundige gevolgd moet worden. Ook zag de Raad geen noodzaak voor een extra internistisch onderzoek, mede gelet op de beschikbare medische informatie. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
De Raad wees een proceskostenveroordeling af en deed uitspraak in het openbaar op 10 december 2009.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd omdat appellant niet arbeidsongeschikt is in de zin van de wet.