Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK6991

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
07-2428 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van beëindiging ziekengeld wegens ontbreken psychiatrische ziekte

Appellant, werkzaam in de paprikateelt, meldde zich op 27 februari 2005 ziek wegens psychische klachten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) besloot op 24 mei 2006 het ziekengeld per 29 mei 2006 te beëindigen, omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen. De rechtbank vernietigde dit besluit wegens schending van de Awb-procedure, maar handhaafde de medische beoordeling.

In hoger beroep bracht appellant een rapport in van psychiater Kazemier, waarop de Raad een onafhankelijke deskundige, psychiater Van Eyk, inschakelde. Deze concludeerde dat er sprake was van ernstige aanpassings- en integratieproblematiek, maar geen psychiatrische ziekte of gebrek die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. Ondanks aanvullend commentaar van Kazemier bleef Van Eyk bij zijn oordeel.

De Raad volgt de onafhankelijke deskundige en ziet geen reden om af te wijken. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld blijft van kracht. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd wegens ontbreken van psychiatrische ziekte die arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt.

Uitspraak

07/2428 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 3 april 2007, 06/3405 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft B.J. van Eyk, psychiater te Oosterhout, op 13 april 2009 als deskundige van verslag en advies gediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 juni 2009.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
Omdat de Raad van oordeel was dat het onderzoek niet volledig is geweest, is dit heropend.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 4 november 2009, waar namens appellant is verschenen mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich daar niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, die laatstelijk heeft gewerkt in de paprikateelt, heeft zich op 27 februari 2005 vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet in verband met psychische klachten ziek gemeld.
1.2. Bij besluit van 24 mei 2006 is aan appellant meegedeeld dat hem met ingang van 29 mei 2006 geen ziekengeld meer werd uitgekeerd, omdat hij op en na deze datum niet meer wegens ziekte of gebreken ongeschikt werd geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
2. Bij besluit van 28 juli 2006 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 24 mei 2006 ongegrond verklaard.
3.1. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit wegens schending van artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat appellant weliswaar op 28 februari 2007 alsnog is gehoord, maar dat het Uwv ten onrechte in de bezwaarfase, voordat op appellants bezwaar werd beslist, van het horen van appellant had afgezien.
3.2. De rechtbank heeft verder bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven, omdat naar het oordeel van de rechtbank er geen reden was om aan de juistheid van de medische beoordeling van de (bezwaar)verzekeringsartsen per 29 mei 2006 te twijfelen.
4. Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het onder 3.2 vermelde oordeel van de rechtbank.
5.1. Gelet op het door appellant in hoger beroep ingebrachte rapport van 23 mei 2008 van psychiater M. Kazemier, heeft de Raad aanleiding gezien psychiater B.J. van Eyk voornoemd om advies te vragen. In zijn rapport van 13 april 2009 komt deze deskundige tot de conclusie dat bij appellant ten tijde van het onderzoek en op de datum in geding, 29 mei 2006, sprake was van een ernstige vorm van aanpassingsproblematiek en integratieproblematiek met passief regressieve kenmerken, maar geen sprake van een ziekte of gebrek in psychiatrische zin. Volgens de deskundige waren er op psychiatrisch gebied geen redenen tot arbeidsongeschiktheid.
5.2. Naar aanleiding van het door de psychiater Kazemier voornoemd bij brief van 5 juni 2009 geleverde commentaar heeft de Raad het onderzoek heropend. Vervolgens heeft voornoemde deskundige desgevraagd bij brief van 5 juli 2009 uiteengezet geen reden te zien terug te komen van zijn conclusie. Het nadere commentaar van 3 augustus 2009 van psychiater Kazemier, heeft de deskundige blijkens zijn brief van 22 augustus 2009 niet tot een ander standpunt gebracht.
5.3. In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen. Van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken is de Raad niet gebleken. Met name doet zich niet de situatie voor dat uit de reactie van die deskundige op een andersluidend oordeel van een door een partij ingeschakelde medicus blijkt dat de deskundige zijn eigen oordeel niet serieus heeft heroverwogen. De nadere brief van 21 september 2009 van psychiater Kazemier bevat naar het oordeel van de Raad slechts een herhaling van diens eerder ingenomen standpunt, zodat de Raad daarin geen reden ziet voor een ander oordeel.
5.4. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van J.M. Tason Avila als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 december 2009.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.M. Tason Avila.
EK