Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK7056

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2387 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.F. Bandringa
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 17 WWBArt. 54, derde lid, WWBArt. 58, eerste lid, WWBArt. 4:84 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenverplichting

Appellant ontving sinds december 2002 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Na een bestandsvergelijking tussen kentekenregistraties van de RDW en gemeentelijke gegevens ontstond twijfel over de rechtmatigheid van de verleende bijstand. Het College van burgemeester en wethouders van Amstelveen trok daarom de bijstand over mei en november 2004 en maart 2005 in en vorderde de kosten terug.

Bij bezwaar werd de intrekking en terugvordering beperkt tot mei en november 2004. Appellant voerde aan dat de auto's slechts voor consumptief gebruik waren en gaf geen aannemelijke verklaring voor het feit dat hij in genoemde maanden meer dan één auto op zijn naam had staan. De Raad stelde vast dat appellant in deze maanden meerdere kentekens op zijn naam had en dat hij de auto's aan derden had overgedragen, wat duidt op mogelijke inkomsten.

De Raad oordeelde dat appellant zijn inlichtingenverplichting uit artikel 17 WWB Pro had geschonden door deze transacties niet te melden. Hierdoor kon het recht op bijstand over deze maanden niet worden vastgesteld. Het College handelde bevoegd en conform beleidsregels bij de intrekking en terugvordering. Er waren geen bijzondere omstandigheden om hiervan af te wijken. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraak van de rechtbank Amsterdam.

Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand over mei en november 2004 worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting.

Uitspraak

08/2387 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 12 maart 2008, 07/471 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amstelveen (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met het onderzoek in het geding met reg.nr. 06/4147 WWB, plaatsgevonden op 18 augustus 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. G.M. Haring, kantoorgenote van mr. Van den Boogert. Het College heeft zich niet heeft laten vertegenwoordigen. Na sluiting van het onderzoek ter zitting zijn de gevoegde zaken weer gesplitst. In deze zaak wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant ontving sedert 15 december 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).
1.2. Naar aanleiding van uit een bestandsvergelijking van de kentekenregistraties van de Dienst Wegverkeer (RDW) en het cliëntenbestand van de afdeling Burger en Samenleving van de gemeente Amstelveen naar voren gekomen gegevens, is door deze afdeling een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapportage van 20 juni 2006.
1.3. Op grond van de onderzoeksresultaten heeft het College bij besluit van 25 september 2006, voor zover van belang, de bijstand van appellant over de maanden mei en november 2004 en maart 2005 ingetrokken en de over die maanden gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd.
1.4. Bij besluit op bezwaar van 22 december 2006 heeft het College de bezwaren van appellant tegen het besluit van 25 september 2006 in zoverre gegrond verklaard, dat de intrekking en terugvordering is beperkt tot de maanden mei en november 2004. Daarbij is het teruggevorderde bedrag verlaagd tot € 2.175,97.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
22 december 2006 ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat blijkens de kentekenregistratie van de RDW in de periode van 1 juni 2003 tot 1 maart 2006 tien kentekens op naam van appellant geregistreerd hebben gestaan waarvan een aantal gedurende een à twee dagen tot twee maanden. Voorts stelt de Raad vast, voor zover in dit geding van belang, dat appellant op 29 mei 2004 de auto met kenteken [kenteken A] en op 8 november 2004 de auto met kenteken [kenteken B] heeft overgedragen aan derden.
4.2. Zoals de Raad inmiddels vaker heeft uitgesproken (zie onder meer de uitspraak van 30 juni 2008, LJN BD6241) wordt onder bovenaangeduide omstandigheden aannemelijk geacht dat de betrokkene inkomsten in verband met de overdracht van de auto’s heeft ontvangen of redelijkerwijs heeft kunnen verwerven in de maanden waarin de registraties bij de RDW zijn beëindigd en de transacties zijn verricht.
4.3. Appellant heeft van de registraties en transacties, die onmiskenbaar van belang zijn voor de bijstandsverlening, geen mededeling gedaan aan het College. Dat het hier zou gaan, zoals appellant stelt, om auto’s louter voor consumptief gebruik acht de Raad onvoldoende onderbouwd noch aannemelijk gemaakt. Zo heeft appellant in dit verband geen aannemelijke verklaring kunnen geven voor het feit dat uit de beschikbare gedingstukken blijkt dat hij in de maanden mei en november 2004 meer dan één auto op zijn naam had staan.
4.4. De Raad is dan ook van oordeel dat appellant in de maanden waarin de in geding zijnde transacties van auto’s hebben plaatsgevonden de op hem rustende inlichtingenverplichting ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB heeft geschonden. Aangezien controleerbare gegevens over bedoelde transacties ontbreken, kan als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de maanden mei en november 2004 niet meer worden vastgesteld.
4.5. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van de artikelen 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand over de maanden mei en november 2004 in te trekken. Het College heeft daarbij gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregels inzake intrekking. In hetgeen appellant heeft aangevoerd ziet de Raad geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), van die beleidsregels had moeten afwijken.
4.6. Uit 4.5 volgt dat het College bevoegd was om met toepassing van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWB de gemaakte kosten van bijstand over de maanden mei en november 2004 van appellant terug te vorderen. Het College heeft gehandeld in overeenstemming met zijn beleidsregels inzake terugvordering. De Raad ziet in hetgeen appellant heeft aangevoerd ook geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het College, met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Awb van deze beleidsregels had moeten afwijken.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van B.E. Giesen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.
(get.) J.F. Bandringa.
(get.) B.E. Giesen.
IJ