ECLI:NL:CRVB:2009:BK7115
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G. van der Wiel
- G.J.H. Doornewaard
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewijzigde vaststelling WAO-uitkering ondanks betwisting toename beperkingen
Appellant, die sinds 2002 arbeidsongeschikt is vanwege langdurige vermoeidheid na een virusinfectie, kreeg aanvankelijk een WAO-uitkering van 65 tot 80%. Deze werd in 2004 verlaagd naar 45 tot 55%. Na een gedeeltelijke werkhervatting viel appellant in 2005 opnieuw uit en werd zijn belastbaarheid onderzocht en vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
Het Uwv stelde in 2007 dat de mate van arbeidsongeschiktheid ongewijzigd bleef op 45 tot 55%, ondanks betwisting door appellant die een toename van klachten en beperkingen aanvoerde. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische gegevens geen aanwijzingen gaven voor een toename van beperkingen sinds 2004.
Appellant voerde in hoger beroep nieuwe medische rapporten aan die een fysieke vermindering van belastbaarheid bevestigen, maar de Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en het standpunt van het Uwv dat de beperkingen in de FML adequaat zijn vastgesteld en dat de belastbaarheid sinds 2004 niet is gewijzigd.
De Raad vond de medische onderbouwing van het Uwv overtuigend en oordeelde dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies passend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De WAO-uitkering blijft ongewijzigd vastgesteld op 45 tot 55% arbeidsongeschiktheid.