ECLI:NL:CRVB:2009:BK7222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-1011 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Besluit proceskosten bestuursrechtArt. 8 Algemene bijstandswet
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding kosten beroepsmatig verleende rechtsbijstand bij bezwaar sociale bijstand

Appellant maakte bezwaar tegen een besluit van het College van burgemeester en wethouders van Almere inzake de ingangsdatum van de toegekende algemene bijstand. Het College wees het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar af omdat volgens hen geen sprake was van beroepsmatig verleende rechtsbijstand door Tjon, die namens appellant optrad.

De rechtbank bevestigde dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat Tjon meer dan incidenteel rechtsbijstand verleent en daarvoor kosten in rekening brengt. De Raad toetste of de werkzaamheden van Tjon als beroepsmatig verleende rechtsbijstand konden worden aangemerkt.

De Raad stelde vast dat Tjon sinds 2 juli 2008 als zelfstandig ondernemer in meerdere procedures rechtsbijstand verleent en hiervoor kosten in rekening brengt, ook bij appellant. Dit betekent dat er sprake is van stelselmatige rechtshulp en dus beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De Raad vernietigde het besluit en de uitspraak van de rechtbank en veroordeelde het College tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, inclusief griffierechten, tot een totaalbedrag van €1.932.

Uitkomst: Het College wordt veroordeeld tot vergoeding van de kosten van rechtsbijstand en proceskosten aan appellant.

Uitspraak

09/1011 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 januari 2009, 08/1416 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft R.V. Tjon, handelend onder de naam Buro Bezwaar en Beroep, te Almere hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2009. Voor appellant is verschenen R.V. Tjon (hierna: Tjon). Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door F. Koot, werkzaam bij de gemeente Almere.
II. OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 12 augustus 2008 heeft het College het bezwaar van appellant tegen het besluit van 12 juli 2008 deels gegrond verklaard, dat besluit herroepen en de ingangsdatum van de aan appellant toegekende algemene bijstand gewijzigd in 30 mei 2008. Het verzoek om vergoeding van de aan het bezwaar verbonden kosten is afgewezen op de grond dat (nog) niet kan worden gesproken van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de zin van artikel 1, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Het Buro Bezwaar en Beroep, dat namens appellant bezwaar heeft gemaakt, valt samen met de natuurlijke persoon Tjon, die bijstand ontvangt en geen zelfstandige is als bedoeld in artikel 8 van Pro de Algemene bijstandswet.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 12 augustus 2008 ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat geen sprake is van door de gemachtigde van appellant aantoonbaar en daadwerkelijk in rekening gebrachte kosten en dat evenmin sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
3. Appellant heeft in hoger beroep de juistheid van dit oordeel bestreden. Hij stelt dat Tjon meer dan incidenteel rechtsbijstand verleent en daarvoor een eigen bijdrage van € 90,00 per zaak bij zijn cliënten in rekening brengt.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. In hoger beroep is uitsluitend in geschil of de door Tjon verrichte werkzaamheden aangemerkt kunnen worden als door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder a, van het Bpb. Volgens vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 8 oktober 2008, LJN BF7597) is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand sprake indien niet slechts in incidentele gevallen rechtshulp wordt verleend en voor die rechtshulp enigerlei vergoeding in rekening wordt gebracht. De Raad ziet geen aanleiding in het onderhavige geschil een andere toetsingsmaatstaf aan te leggen. Hierin ligt tevens besloten dat de door het College aangevoerde omstandigheid dat Tjon autodidact is en voor het verlenen van rechtsbijstand geen juridische scholing zou hebben genoten, wat hier ook van zij, niet uitsluit dat sprake is van beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
4.2. Uit de gedingstukken blijkt dat Tjon met toestemming van het College vanaf 2 juli 2008 als zelfstandig ondernemer in een behoorlijk aantal procedures rechtsbijstand heeft verleend. Dat deze procedures ten tijde van de behandeling van het bezwaar nog slechts betrekking hadden op drie cliënten maakt dat niet anders. Dit betekent dat geen sprake is van incidenteel, maar van stelselmatig verleende rechtshulp. Voorts is voor de Raad voldoende komen vast te staan dat Tjon, zij het achteraf en op basis van “no cure no pay”, bij zijn cliënten en ook bij appellant kosten in rekening brengt voor de door hem verleende rechtsbijstand. Ook overigens ziet de Raad in hetgeen daarover door het College is aangevoerd geen beletsel voor de vergoeding van de kosten van de door Tjon verleende rechtsbijstand.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak en doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, het beroep gegrond verklaren en het besluit van 12 augustus 2008 vernietigen voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de kosten van bezwaar is afgewezen. Nu het College het primaire besluit heeft herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, is er aanleiding de kosten van rechtsbijstand die appellant in verband met de behandeling van het bezwaar heeft moeten maken te vergoeden tot een bedrag van € 644,00.
5. De Raad ziet aanleiding om het College te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en € 644,-- hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 12 augustus 2008 voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de in bezwaar gemaakte kosten is afgewezen;
Veroordeelt het College tot vergoeding van de kosten van appellant in bezwaar, beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal € 1.932,--;
Bepaalt dat het College aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht voldoet tot een bedrag van in totaal € 146,--.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en J.J.A. Kooijman en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) R.L.G. Boot.
mm