ECLI:NL:CRVB:2009:BK8193
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- P.J. Jansen
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en procesrechtelijke schending bij niet-horen appellant
Appellante, met een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid, werd geconfronteerd met een herziening van haar uitkering per 6 april 2007 naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid (25-35%). Het UWV baseerde dit op medisch en arbeidskundig onderzoek, waarbij informatie van diverse behandelaars werd betrokken. Appellante voerde aan dat zij niet in de gelegenheid was gesteld te reageren op nieuwe medische informatie en dat het verbod van reformatio in peius werd geschonden.
De Raad oordeelde dat het UWV bevoegd was de uitkering per toekomstige datum te herzien, maar dat het artikel 7:9 Awb Pro (hoor en wederhoor) was geschonden doordat appellante niet kon reageren op de nadere rapporten. Hierdoor werd het bestreden besluit vernietigd. De Raad bevestigde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet waren onderschat. De mate van arbeidsongeschiktheid per 6 april 2007 werd gehandhaafd op 25 tot 35%.
Verder verklaarde de Raad het bezwaar tegen een herhalingsbesluit niet-ontvankelijk en veroordeelde het UWV in de proceskosten van appellante. Het griffierecht werd aan appellante terugbetaald. De uitspraak benadrukt het belang van het recht op hoor en wederhoor bij herzieningen van sociale zekerheidsuitkeringen.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot herziening van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens schending van hoor en wederhoor, maar de mate van arbeidsongeschiktheid per 6 april 2007 wordt bevestigd.