ECLI:NL:CRVB:2009:BK8200
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en voortzetting WAO-uitkering na bezwaar tegen UWV-besluiten
Appellant maakte bezwaar tegen drie besluiten van het UWV inzake zijn WAO-uitkering, waaronder de ongewijzigde voortzetting van de uitkering en terugvordering van een voorschot. De rechtbank vernietigde twee besluiten vanwege onvoldoende motivering over de geschiktheid van geselecteerde functies, maar verklaarde het bezwaar tegen het derde besluit ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant dat zijn medische situatie en arbeidskundige beperkingen onvoldoende waren meegewogen, en dat het UWV ten onrechte geen beoordeling door een bezwaarverzekeringsarts had laten plaatsvinden. Tevens stelde hij dat een toename van arbeidsongeschiktheid binnen vijf jaar na de laatste herziening had moeten leiden tot herziening van de uitkering.
De Raad volgde de rechtbank en het UWV in hun oordeel dat de medische en arbeidskundige grondslagen juist waren vastgesteld, dat de functies geschikt zijn, en dat de terugvordering van het voorschot terecht is. Ook oordeelde de Raad dat artikel 39a van de WAO niet van toepassing is omdat de toename van arbeidsongeschiktheid niet binnen vijf jaar na de laatste herziening plaatsvond. De weigering tot herziening berustte op juridische gronden, waardoor geen beoordeling door een bezwaarverzekeringsarts vereist was.
De Raad bevestigde de aangevallen uitspraak en wees het beroep van appellant af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de rechtbankuitspraak en verklaart het beroep ongegrond, waarbij de WAO-uitkering ongewijzigd wordt voortgezet en het te veel betaalde voorschot terecht is teruggevorderd.