ECLI:NL:CRVB:2011:BT6213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- B.M. van Dun
- B.J. van der Net
- Rechtspraak.nl
Bevestiging besluit UWV over geen recht op ziekengeld na 18 november 2008
Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door rugklachten. Na omscholing werkte hij als rij-instructeur, maar meldde zich in 2007 wegens restless legs en slaapstoornissen arbeidsongeschikt. Het UWV beoordeelde zijn situatie en stelde vast dat hij per 18 november 2008 weer geschikt was voor ten minste één van de functies die hem eerder waren toegerekend.
Appellant kreeg daarom per 18 november 2008 geen recht meer op ziekengeld. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en ook de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op goede gronden had vastgesteld dat appellant niet ongeschikt was voor de functies die als maatstaf dienden.
De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen die appellant's klachten uitgebreid hadden onderzocht en concludeerden dat zijn gezondheidstoestand sinds 22 februari 2007 niet wezenlijk was gewijzigd. Er was geen reden voor nader medisch onderzoek. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 18 november 2008 niet ongeschikt was voor passende functies en geen recht meer had op ziekengeld.