ECLI:NL:CRVB:2011:BT6213

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-6435 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 AwbArt. 34 WAO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging besluit UWV over geen recht op ziekengeld na 18 november 2008

Appellant ontving sinds 1998 een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid door rugklachten. Na omscholing werkte hij als rij-instructeur, maar meldde zich in 2007 wegens restless legs en slaapstoornissen arbeidsongeschikt. Het UWV beoordeelde zijn situatie en stelde vast dat hij per 18 november 2008 weer geschikt was voor ten minste één van de functies die hem eerder waren toegerekend.

Appellant kreeg daarom per 18 november 2008 geen recht meer op ziekengeld. Hij maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel en ook de Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV op goede gronden had vastgesteld dat appellant niet ongeschikt was voor de functies die als maatstaf dienden.

De Raad baseerde zich op medische rapporten van verzekeringsartsen die appellant's klachten uitgebreid hadden onderzocht en concludeerden dat zijn gezondheidstoestand sinds 22 februari 2007 niet wezenlijk was gewijzigd. Er was geen reden voor nader medisch onderzoek. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant vanaf 18 november 2008 niet ongeschikt was voor passende functies en geen recht meer had op ziekengeld.

Uitspraak

09/6435 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 19 oktober 2009, 08-8024 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 augustus 2011.
Appellant is verschenen bij gemachtigde De Roo. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is op 9 oktober 1997 wegens rugklachten ongeschikt geworden voor zijn arbeid als meewerkend magazijnchef. Sinds 8 oktober 1998 ontvangt appellant een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), welke uitkering met ingang van 2 mei 2000 is vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. In deze situatie is appellant na omscholing in januari 2001 32 uur per week als rij-instructeur in loondienst gaan werken. Na een ziekmelding voor dit werk per 26 juli 2004 is appellant, die per 1 december 2005 is gaan werken als zelfstandig rij-instructeur, op 4 september 2006 - ter beoordeling van de arbeidsongeschiktheid bij het einde van de wachttijd op 24 juli 2006 - gezien door een verzekeringsarts. Dit heeft na een arbeidskundige beoordeling geleid tot een besluit waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid per 24 juli 2006 ongewijzigd is vastgesteld op 25 tot 35%. Bij besluit op bezwaar van 23 juli 2007 is dit besluit gehandhaafd.
1.2. Appellant heeft zich per 1 juli 2007, toen hij een werkloosheidsuitkering ontving, wegens restless legs en slaapstoornissen toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Naar aanleiding van deze melding heeft het Uwv onder meer bezien of er ter uitvoering van artikel 34, vijfde lid, van de WAO grond was voor herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering per 22 februari 2007. Bij besluit van 24 januari 2008, dat bij besluit op bezwaar van 4 juli 2008 is gehandhaafd, is de WAO-uitkering per 22 februari 2007 ongewijzigd vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Voormelde besluiten van 23 juli 2007 en 4 juli 2008 zijn in rechte vernietigd, maar de rechtsgevolgen hiervan zijn, gelet op de uitspraak van de Raad van 30 december 2009 (LJN BK8200), in stand gebleven.
1.3. Naar aanleiding van zijn melding van 1 juli 2007 is aan appellant een ziekengelduitkering toegekend. Op 10 november 2008 is appellant op het spreekuur geweest van een verzekeringsarts, die hem per 18 november 2008 weer geschikt achtte voor zijn arbeid.
2. Bij besluit van 11 november 2008 is aan appellant dienovereenkomstig meegedeeld dat hij met ingang van 18 november 2008 geen recht meer had op ziekengeld.
3. Bij besluit van 15 december 2008 (hierna: het bestreden besluit) is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 november 2008 ongegrond verklaard.
4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. De Raad heeft het volgende overwogen.
5.1. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde - voorzover hier van belang - bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in een geval als het onderhavige inzoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na gedurende de maximum-termijn ziekengeld te hebben ontvangen blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt gangbare arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van betrokkenes aanspraak op uitkering ingevolge de WAO.
Het vorenstaande betekent dat terzake van het ziektegeval van 1 juli 2007 als maatstaf dient te worden aangelegd de arbeid verbonden aan de functies die voor appellant in het kader van de WAO per 22 februari 2007 als geschikt zijn aangemerkt. Nu evenvermelde concretisering in het kader van de WAO betekent, dat een aantal functies ieder afzonderlijk voor de betrokken verzekerde geschikt is geacht, dient onder “zijn” arbeid in de zin van artikel 19 van Pro de ZW te worden verstaan elk van deze functies afzonderlijk.
5.2. De Raad stelt vast dat van de zijde van het Uwv in het onderhavige geval weliswaar als maatstaf arbeid zijn gehanteerd de functies welke appellant bij de schatting per 24 juli 2006 zijn voorgehouden, maar dat twee van deze functies, te weten die onder de Sbc-code 267050 (wikkelaar, samensteller elektronisch apparatuur) en Sbc-code 315181 (meteropnemer) ook aan de schatting per 22 februari 2007 ten grondslag hebben gelegen.
5.3. De Raad is verder in navolging van de rechtbank van oordeel dat bezwaarverzekeringsarts P. Eken blijkens haar rapport van 15 december 2008 de klachten van appellant zeer uitgebreid in ogenschouw heeft genomen en een zorgvuldig onderzoek heeft ingesteld naar de gezondheidstoestand van appellant.
De Raad ziet in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen reden de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen en ook geen reden voor een nader medisch onderzoek. Zoals in een rapport van 19 januari 2010 is opgemerkt heeft voornoemde bezwaarverzekeringsarts bij haar beoordeling rekening gehouden met de gewrichtsklachten van appellant en met de diagnose artritis psoriatica. Dit geldt ook voor de restless leggs. Op grond van appellants moeheidsklachten en de klachten van het bewegingsapparaat zijn, zoals bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek in een nader rapport van 25 juli 2011 heeft opgemerkt, in het verleden beperkingen aangenomen, die ook bij de beoordeling naar de datum hier in geding zijn meegewogen. Niet gebleken is dat appellants gezondheidstoestand op deze laatste datum vergeleken met die op 22 februari 2007 wezenlijk is gewijzigd. De Raad is mitsdien, evenals de rechtbank van oordeel, dat het Uwv op goede gronden heeft beslist dat appellant op en na 18 november 2008 niet ongeschikt was voor tenminste één van beide hiervoor vermelde functies.
5.4. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 tot en met 5.3 is overwogen volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende,
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en B.M. van Dun en B.J. van der Net als leden, in tegenwoordigheid van N. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 28 september 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N. El Hana.
JL