ECLI:NL:CRVB:2009:BK8262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- A.A.H. Schifferstein
- P.J. Jansen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WAO-uitkering wegens niet vervulde wachttijd en afwijzing schadevergoeding
Appellante heeft een aanvraag ingediend voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO na een val met ernstige verwondingen. Het UWV wees deze aanvraag af omdat appellante niet onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was geweest, mede omdat zij vanaf 13 oktober 1997 haar werk volledig hervatte, hoewel in een andere functie.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af omdat artikel 8:73 Awb Pro dit alleen toestaat bij gegrondverklaring van het beroep. In hoger beroep betoogde appellante dat de rechtbank een verkeerde maatstaf hanteerde door werkhervatting als passend te beschouwen en dat zij het werk niet zelfstandig kon verrichten.
De Raad oordeelt dat appellante de wachttijd niet heeft vervuld, mede omdat zij door de bedrijfsarts als hersteld werd verklaard en dat het nieuwe ziektegeval pas buiten de samentellingstermijn van vier weken begon. Het subsidiaire standpunt van het UWV dat appellante minder dan 15% arbeidsongeschikt was na de wachttijd wordt niet verworpen.
Het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat de termijn van ruim twee jaar tussen bezwaar en uitspraak niet de vier jaar overschrijdt die als redelijke termijn geldt. Er zijn geen gronden voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
De Raad bevestigt de eerdere uitspraak en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de WAO-uitkering en wijst het verzoek om schadevergoeding af.