ECLI:NL:CRVB:2009:BK8317

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3184 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het recht op uitkering op grond van de Ziektewet na zorgvuldig medisch onderzoek

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellante, die geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) na een medisch onderzoek door het Uwv. Appellante, werkzaam als paprikaplukster, meldde zich ziek na haar bevallingsverlof op 16 maart 2007, met rug- en bekkenklachten en klachten aan de duim. Het Uwv heeft haar na onderzoek op 16 mei 2007 medegedeeld dat zij geen recht meer had op een uitkering, omdat zij geschikt werd geacht voor haar arbeid. Dit besluit werd later bevestigd door een tweede besluit op 20 juni 2007, waarin de uitkering werd beëindigd. Appellante heeft bezwaar gemaakt, maar het Uwv verklaarde deze bezwaren ongegrond.

De rechtbank Rotterdam heeft in haar uitspraak van 21 april 2008 het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de verzekeringsartsen zorgvuldig onderzoek hadden gedaan en dat de klachten van appellante niet onvoldoende waren onderkend. Appellante ging in hoger beroep en herhaalde haar standpunt dat haar beperkingen ernstiger waren dan door het Uwv werd aangenomen. Ze verwees naar medicatie die zij had gekregen van haar huisarts.

De Centrale Raad van Beroep heeft in zijn uitspraak van 23 december 2009 het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat er geen aanwijzingen waren dat de beperkingen van appellante waren onderschat. De Raad vond dat appellante geen nieuwe medische informatie had overgelegd die de conclusie van de verzekeringsartsen zou kunnen betwisten. De Raad concludeerde dat appellante per 16 mei 2007 geen recht had op ziekengeld en bevestigde de aangevallen uitspraak zonder proceskostenveroordeling.

Uitspraak

08/3184 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 april 2008, kenmerk 07/3105 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 23 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. P.A.M. van Leeuwen, advocaat te Schiedam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2009. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde mr. Van Leeuwen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J.C. Geldof.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was werkzaam als paprikaplukster en heeft zich na afloop van haar bevallingsverlof op 16 maart 2007 ziek gemeld in verband met rug- en bekkenklachten en klachten aan de duim. In verband daarmee is zij op 18 april 2007 en 16 mei 2007 onderzocht door de primaire verzekeringsarts.
1.2. Bij besluit van 16 mei 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat zij vanaf 16 mei 2007 geen recht meer heeft op een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat zij vanaf die datum geschikt geacht wordt voor haar arbeid.
1.3. Bij besluit van 20 juni 2007 heeft het Uwv appellante medegedeeld dat haar uitkering op grond van de ZW met ingang van 18 juni 2007 wordt beëindigd.
1.4. Bij besluit van 23 juli 2007 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren tegen beide besluiten ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij is met name betekenis gehecht aan de bevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts, die naar het oordeel van de rechtbank blijk hebben gegeven van een zorgvuldig onderzoek. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden gezegd dat de verzekeringsartsen de klachten van appellante onvoldoende hebben onderkend. De rechtbank heeft daarbij ook geoordeeld dat een verslechtering na de datum in geding voor de beoordeling niet van belang is.
3. In hoger beroep heeft appellante haar standpunt dat de ernst van haar beperkingen ernstiger is dan wordt aangenomen, herhaald. Zij heeft er daarbij op gewezen dat zij van de huisarts op 1 juni 2007 het medicijn Cataflam kreeg voorgeschreven en op 21 juni 2007 Diclofenac en Zolpidemtartraat.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. In hoger beroep is uitsluitend aan de orde de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het Uwv op juiste gronden het standpunt heeft ingenomen dat appellante per 16 mei 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en heeft in de beschikbare gegevens geen aanwijzingen gevonden op grond waarvan geoordeeld moet worden dat de beperkingen van appellante zijn onderschat. De Raad onderschrijft in dit verband het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 14 maart 2008 dat de informatie van het Riagg van 15 november 2007 een bevestiging vormt van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts ten tijde van het onderzoek op 18 juli 2007. Er was rond de datum in geding sprake van niet meer dan een lichte depressie geluxeerd door grote problemen in de privésfeer; op dat moment was medicamenteuze behandeling nog niet gestart, daarvan was eerst sprake op 1 oktober 2007, dus na de datum hier in geding, 16 mei 2007. Daarbij acht de Raad de bevindingen van de psychiater, genoemd in de informatie van het Riagg, dat er ook sprake is van somatiserend gedrag eveneens in lijn met die van de (primaire) verzekeringsarts waar deze stelt dat al dan niet bewust sprake is van ziektewinst. Met betrekking tot de op 1 juni 2007 en 21 juni 2007 door de huisarts voorgeschreven medicatie onderschrijft de Raad het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts in diens rapportage van 29 januari 2009 (lees: 29 oktober 2009). De Raad ziet tot slot geen aanleiding het standpunt van de (bezwaar)verzekeringsarts dat appellante als gevolg van haar lichamelijke klachten op datum in geding niet ongeschikt zou zijn voor haar eigen werk van paprikaplukster voor onjuist te houden. Appellante heeft noch in beroep noch in hoger beroep medische informatie overgelegd die grond zou kunnen geven voor twijfel aan die conclusie. Het enkele gegeven dat zij op 3 september 2007 en op 4 februari 2008 door de huisarts is verwezen naar respectievelijk de orthopedisch chirurg en de neuroloog is hiervoor onvoldoende temeer daar de huisarts blijkens zijn informatie van 27 maart 2008 op dat moment nog geen gegevens van deze specialisten had ontvangen.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.2 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2009.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) F. Heringa.
IvR