Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2009:BK8323

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5709 WWB + 09-3505 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:40 AwbArt. 3:41 AwbArt. 4:5 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen besluit WWB wegens termijnoverschrijding

Appellant diende op 13 november 2007 een aanvraag in voor een bijstandsuitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College stelde deze aanvraag bij besluit van 5 december 2007 buiten behandeling. Appellant maakte op 19 en 21 februari 2008 bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing en tegen het besluit van 5 december 2007.

De rechtbank verklaarde beide bezwaren niet-ontvankelijk vanwege overschrijding van de wettelijke bezwaartermijn en het feit dat het College al een besluit had genomen vóór het bezwaar. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij pas na het indienen van het bezwaar kennis had kunnen nemen van het besluit en dat het besluit niet correct bekend was gemaakt.

De Raad overwoog dat de bezwaartermijn van zes weken aanving op 6 december 2007, de dag nadat het besluit naar het laatst bekende adres van appellant was verzonden. De Raad achtte de ontkenning van appellant van ontvangst niet geloofwaardig, mede gelet op zijn contacten met de sociale dienst. Het bezwaar van 21 februari 2008 was derhalve te laat ingediend en niet-ontvankelijk. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen. De aangevallen uitspraken werden bevestigd.

Uitkomst: Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2007 is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

08/5709 WWB + 09/3505 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van 11 augustus 2008, 08/448 (hierna: aangevallen uitspraak 08/448), en 14 mei 2009, 08/683 (hierna: aangevallen uitspraak 08/683),
in de gedingen tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen (hierna: College)
Datum uitspraak: 15 december 2009
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting in de gevoegde zaken heeft plaatsgevonden op 10 november 2009. Appellant is niet verschenen. Mr. Van Dijk heeft vooraf bericht de zitting niet bij te zullen wonen. Het College heeft zich heeft laten vertegenwoordigen door T. van der Veen, werkzaam bij de gemeente Groningen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft op 13 november 2007 een aanvraag om een uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Deze aanvraag is door het College bij besluit van 5 december 2007 met toepassing van artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten behandeling gesteld.
1.2. Appellant heeft op 19 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag om bijstand. Op 20 februari 2008 is het onder 1.1 vermelde besluit van 5 december 2007 aan de gemachtigde van appellant, mr. Van Dijk, gefaxt.
1.3. Appellant heeft op 21 februari 2008 bezwaar gemaakt tegen het besluit van
5 december 2007.
1.4. Het bezwaarschrift van 21 februari 2008 is bij besluit van het College van 8 mei 2008 wegens overschrijding van de termijn voor het maken van bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
1.5. Het bezwaarschrift van 19 februari 2008 is bij besluit van het College van 20 juni 2008 niet-ontvankelijk verklaard op grond van de overweging dat op 5 december 2007 een besluit is genomen en op de juiste wijze is bekendgemaakt zodat appellant geen procesbelang heeft bij het afhandelen van het bezwaarschrift tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag.
2. Bij de aangevallen uitspraak 08/448 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 8 mei 2008 ongegrond verklaard. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak gekeerd. Aangevoerd is dat appellant pas na de indiening van zijn bezwaarschrift tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag kennis heeft kunnen nemen van het besluit van 5 december 2007 en dat hij vervolgens, binnen twee weken, daartegen bezwaar heeft aangetekend. Tevens heeft hij verzocht om een veroordeling tot schadevergoeding.
3. Bij de aangevallen uitspraak 08/683 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 14 mei 2009 ongegrond verklaard. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat het reëel besluit van 5 december 2007 niet aan appellant bekend is gemaakt overeenkomstig de relevante bepalingen uit de Awb en dat zijn bezwaar bijgevolg ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard.
4. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak 08/448 als volgt.
4.1. Op grond van artikel 6:7 van Pro de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Op grond van artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt. In artikel 3:41, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient - in geval van toezending van een besluit - voor de vaststelling dat aan de wettelijke voorwaarde voor het aanvangen van de bezwaartermijn is voldaan, zowel de verzending als de aanbieding van de zending (aan het juiste adres) vast te staan dan wel voldoende aannemelijk te zijn gemaakt. Daarbij geldt dat niet is uitgesloten dat ook langs andere weg dan aangetekende verzending per TNT Post kan worden aangetoond dan wel voldoende aannemelijk gemaakt dat aan deze vereisten is voldaan. Indien het gaat om gevallen waarin uit de beschikbare gegevens volgt dat de belanghebbende het besluit wel eerder moet hebben ontvangen en de ontkenning van die eerdere ontvangst dus als ongeloofwaardig moet worden bestempeld, wordt niet alleen die ontvangst aannemelijk geacht, maar - zonder nader bewijs - ook de verzending. Het gaat dan met name om gevallen waarin naar aanleiding van dat besluit door de belanghebbende handelingen zijn verricht of om informatie is gevraagd, zoals bijvoorbeeld een verzoek om inzage van stukken die aan dat besluit ten grondslag hebben gelegen, waaruit moet worden afgeleid dat de aanbieding van het poststuk met het besluit aan het adres van de belanghebbende wel heeft plaatsgevonden. Hiervan is sprake in het geval van appellant. De Raad kent in het bijzonder betekenis toe aan de rapportage Sociale Zaken en Werk van 21 februari 2008 waarin is vermeld dat appellant zich op 15 februari 2008 bij de spoeddienst SOZAWE heeft gemeld met de vraag om een postadres en een uitkering. Bij die gelegenheid is een vervolgafspraak voor een gesprek op 18 februari 2006 gemaakt. Hierbij neemt de Raad in ogenschouw dat appellant tijdens een bij de dienst SOZAWE op 3 december 2007 gehouden gesprek erop is gewezen gebruik te maken van een door de dienst aangewezen postadres indien hij in aanmerking wil komen voor een bijstandsuitkering. De Raad merkt in dit kader verder op dat appellant, blijkens de rapportage van 21 februari 2008, tijdens de op 15 en 18 februari 2008 gevoerde gesprekken bij de dienst SOZAWE niet heeft gemeld dat hij nog steeds geen beslissing had op zijn bijstandsaanvraag van 6 november 2007. Het enkele feit dat appellant op 19 februari 2008 bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op de aanvraag maakt naar het oordeel van de Raad de ontkenning van appellant van de eerdere ontvangst van het besluit van 5 december 2007 niet geloofwaardig. Gelet op het voorgaande gaat de Raad er vanuit dat het besluit van 5 december 2007 op die datum is verzonden en dat de zending op 6 december 2007 is aangeboden aan het laatst bekende adres van appellant.
4.3. Gelet op hetgeen onder 4.2 is overwogen kan als vaststaand worden aangenomen dat de termijn voor het maken van bezwaar is aangevangen op 6 december 2007. De laatste dag waarop een bezwaarschrift kon worden ingediend was 16 januari 2008. Aangezien appellant eerst bij brief van 21 februari 2008 tegen het besluit van 5 december 2007 bezwaar heeft gemaakt stelt de Raad vast dat ten tijde van het indienen van het bezwaarschrift de termijn om bezwaar te maken ruimschoots was verstreken. In hetgeen appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen voor het oordeel dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van Pro de Awb. Het College heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 5 december 2007 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.
4.4. De Raad komt gelet op hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.3 is overwogen tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak 08/448 dient te worden bevestigd. Voor een veroordeling tot schadevergoeding is geen ruimte. Het verzoek daartoe van appellant dient daarom te worden afgewezen.
5. De Raad overweegt ten aanzien van de aangevallen uitspraak 08/683 als volgt.
5.1. Onder verwijzing naar de overwegingen 4.1 en 4.2 stelt de Raad evenals de rechtbank vast dat het besluit van 5 december 2007 ingevolge het bepaalde in artikel 3:40 van Pro de Awb op 5 december 2007 in werking is getreden.
5.2. De Raad kan zich voorts verenigen met het oordeel van de rechtbank dat het College terecht het bezwaar van appellant niet-ontvankelijk heeft verklaard gelet op het feit dat het College al op 5 december 2007 een reëel besluit op de aanvraag heeft genomen, derhalve vóór de indiening van het bezwaar van appellant tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag.
5.3. Uit hetgeen hiervoor onder 5.1 en 5.2 is overwogen vloeit voort dat de aangevallen uitspraak 08/683 dient te worden bevestigd.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
In het geding met procedurenummer 08/5709:
Bevestigt de aangevallen uitspraak 08/448;
Wijst het verzoek om veroordeling tot schadevergoeding af.
In het geding met procedurenummer 09/3505:
Bevestigt de aangevallen uitspraak 08/683.
Deze uitspraak is gedaan door C. Viegen, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2009.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.L.G. Boot.
mm