ECLI:NL:CRVB:2009:BK9135
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voor griffierecht in vreemdelingenrechtelijke procedures
Appellanten verzochten bijzondere bijstand voor de kosten van griffierecht in vreemdelingenrechtelijke procedures gevoerd door appellante. Het College van burgemeester en wethouders van Gouda wees deze aanvraag af omdat appellante niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt en niet op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de WWB met een Nederlander gelijkgesteld kan worden.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogden appellanten dat appellante wel gelijkgesteld kan worden met een Nederlander en dat er geen passende voorliggende voorziening bestaat voor de griffierechtkosten. Tevens stelden zij dat het onjuist is dat bij de arbeidsinschakeling van appellant wel rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van appellante, maar dat zij geen recht op bijstand heeft.
De Raad oordeelde dat appellante, met Marokkaanse nationaliteit, geen recht heeft op bijstand omdat zij geen rechtmatig verblijf houdt in Nederland zoals bedoeld in de Vreemdelingenwet 2000 en niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander. Ook de Richtlijn 2003/86/EG is niet van toepassing. De Raad bevestigde daarom de afwijzing van de bijzondere bijstand en zag geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Raad bevestigt de afwijzing van bijzondere bijstand voor griffierechtkosten omdat appellante niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld en zelf geen recht op bijstand heeft.