ECLI:NL:CRVB:2009:BK9140
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Weigering bijstand op gehuwdennorm wegens niet-rechtmatig verblijf partner
Appellant, met de Nederlandse en Marokkaanse nationaliteit, vroeg bijstand op grond van de WWB naar de gehuwdennorm omdat zijn partner, met de Marokkaanse nationaliteit, bij hem verbleef. De partner had een machtiging tot voorlopig verblijf gekregen voor gezinsvorming, maar haar aanvraag voor een verblijfsvergunning werd uiteindelijk geweigerd en onherroepelijk verklaard.
Het College van burgemeester en wethouders van Gouda kende bijstand toe naar de norm voor alleenstaanden, omdat de partner niet rechtmatig verbleef en daarom niet gelijkgesteld kon worden aan een Nederlander voor de toepassing van de WWB. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat op grond van Richtlijn 2003/86/EG zijn partner gelijkgesteld moest worden aan een Nederlander. De Raad oordeelde echter dat deze richtlijn niet van toepassing is op gezinsleden van Nederlandse staatsburgers, omdat appellant zijn verblijf ontleent aan zijn staatsburgerschap en niet aan een verblijfsvergunning. Hierdoor heeft de partner geen recht op bijstand naar de gehuwdennorm en is het besluit van het College en de rechtbank terecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen bijstand naar de gehuwdennorm ontvangt omdat zijn partner geen rechtmatig verblijf heeft.