ECLI:NL:CRVB:2009:BK9633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing beroep op verlenging WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsverleden
Appellant had een WW-uitkering toegekend gekregen met ingang van 3 december 2007, lopend tot en met 2 maart 2008. Hij maakte bezwaar tegen de duur van de uitkering omdat hij meende dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een verlenging tot eind maart 2008, mede omdat hij werkbriefjes had ontvangen, ingevuld en teruggezonden.
Het UWV stelde dat appellant niet voldeed aan de arbeidsverledeneis, omdat hij in 2003 en 2005 niet over 52 dagen of meer loon had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het toezenden en invullen van werkbriefjes en de communicatie van het UWV een gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging van de uitkering had gewekt.
De Raad overwoog dat aan appellant steeds was meegedeeld dat de uitkering zou eindigen op 2 maart 2008 en dat hij na die datum geen werkbriefjes meer hoefde in te vullen. Het enkele feit dat appellant op 31 maart 2008 toch een werkbriefje inzond en een automatische ontvangstbevestiging ontving, kon geen gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging van de uitkering wekken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
De Raad zag geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant geen recht heeft op verlenging van de WW-uitkering na 2 maart 2008 wegens onvoldoende arbeidsverleden en faalt in zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.