ECLI:NL:CRVB:2009:BK9633

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 december 2009
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-987 WW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbAlgemene wet bestuursrechtWerkloosheidswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing beroep op verlenging WW-uitkering wegens onvoldoende arbeidsverleden

Appellant had een WW-uitkering toegekend gekregen met ingang van 3 december 2007, lopend tot en met 2 maart 2008. Hij maakte bezwaar tegen de duur van de uitkering omdat hij meende dat hij gerechtvaardigd mocht vertrouwen op een verlenging tot eind maart 2008, mede omdat hij werkbriefjes had ontvangen, ingevuld en teruggezonden.

Het UWV stelde dat appellant niet voldeed aan de arbeidsverledeneis, omdat hij in 2003 en 2005 niet over 52 dagen of meer loon had ontvangen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat het toezenden en invullen van werkbriefjes en de communicatie van het UWV een gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging van de uitkering had gewekt.

De Raad overwoog dat aan appellant steeds was meegedeeld dat de uitkering zou eindigen op 2 maart 2008 en dat hij na die datum geen werkbriefjes meer hoefde in te vullen. Het enkele feit dat appellant op 31 maart 2008 toch een werkbriefje inzond en een automatische ontvangstbevestiging ontving, kon geen gerechtvaardigd vertrouwen op verlenging van de uitkering wekken. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.

De Raad zag geen aanleiding om het UWV te veroordelen in de proceskosten van appellant.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat appellant geen recht heeft op verlenging van de WW-uitkering na 2 maart 2008 wegens onvoldoende arbeidsverleden en faalt in zijn beroep op het vertrouwensbeginsel.

Uitspraak

09/987 WW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 februari 2009, kenmerk 08/1730 WW (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 31 december 2009.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. D.M. Terpstra, advocaat te Breda, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2009. Appellant is verschenen bij mr. Terpstra. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 18 december 2007 heeft het Uwv aan appellant een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend, met ingang van 3 december 2007. Daarbij is meegedeeld dat, als er niets in zijn situatie verandert, appellant deze uitkering krijgt tot en met 2 maart 2008.
1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en heeft daarbij aangegeven het niet eens te zijn met de duur van de WW-uitkering.
1.3. Bij brief van 14 januari 2008 heeft het Uwv een toelichting gegeven op het besluit en gesteld dat appellant niet voldoet aan de arbeidsverledeneis nu appellant in de jaren 2003 en 2005 niet over 52 dagen of meer loon heeft ontvangen.
1.4. Bij het thans bestreden besluit van 25 februari 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank dat beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant betoogd dat hij er gerechtvaardigd op heeft mogen vertrouwen dat hij over de maand maart 2008, ook na 2 maart 2008, nog uitbetaling van een bedrag terzake WW-uitkering tegemoet mocht zien. Er is niet alleen sprake geweest van toezending van het werkbriefje door het Uwv aan appellant, maar appellant heeft dit werkbriefje ingevuld en ingezonden, waarna het Uwv hem heeft bericht over de verwachte termijn van uitbetaling. Dat is méér dan “de enkele omstandigheid” waarmee de rechtbank het beroep van appellant op naleving van gewekte verwachtingen heeft afgedaan, aldus appellant.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1. Zowel bij het besluit van 18 december 2007 als bij brief van 28 januari 2008 en bij besluit van 25 februari 2008 is aan appellant meegedeeld dat aan hem een WW-uitkering is toegekend tot en met 2 maart 2008. Tevens is appellant er bij brief van 17 maart 2008 expliciet op gewezen dat hij geen werkbriefjes meer behoefde in te vullen. Desondanks heeft appellant op 31 maart 2008 per e-mail toch een werkbriefje aan het Uwv verzonden, waarop automatisch een standaard e-mail ter bevestiging van de ontvangst van het werk-briefje door het Uwv is verzonden. De Raad ziet hierin, evenals het Uwv en de rechtbank, geen grond voor het standpunt van appellant dat daardoor het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat hij van 3 tot en met 31 maart 2008 WW-uitkering betaald zou krijgen. Het beroep dat appellant doet op het vertrouwensbeginsel faalt derhalve en de aangevallen uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad ziet geen aanleiding om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 december 2009.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) P. Boer.
BvW