ECLI:NL:CRVB:2010:BK8143

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3507 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek

Appellant ontving een WAO-uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV herzag deze uitkering en stelde de arbeidsongeschiktheid vast op 15-25%, waarna de uitkering uiteindelijk werd ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% werd geacht.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het medische onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de bezwaarverzekeringsarts voldoende informatie had betrokken, ook al was appellant niet persoonlijk gehoord. De rechtbank vond ook dat de geselecteerde functies passend waren.

In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn klachten onvoldoende waren vertaald in beperkingen en dat hij niet persoonlijk was onderzocht. De Raad oordeelde dat appellant geen nieuwe medische gegevens had overgelegd die het oordeel van het UWV konden betwijfelen. De telefonische consultatie en de betrokkenheid van huisarts en neuroloog waren voldoende. De Raad sloot zich aan bij de arbeidskundige beoordeling en verwierp de bezwaren over de functie elektromonteur.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering wordt bevestigd na zorgvuldig medisch en arbeidskundig onderzoek.

Uitspraak

09/3507 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 14 mei 2009, 08/1720 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. C.T.W. van Dijk, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2009. Appellant is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het Uwv was vertegenwoordigd door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant ontving een WAO-uitkering, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Bij besluit van 25 september 2007 heeft het Uwv deze uitkering per 26 november 2007 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%.
1.2. Bij besluit van 7 mei 2008 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard, de uitkering per 26 november 2007 ongewijzigd voortgezet en de uitkering met ingang van 9 juni 2008 ingetrokken omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is.
2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen dat besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het (medische) onderzoek niet onzorgvuldig was. De bezwaarverzekeringsarts heeft telefonisch met appellant overlegd en de van de huisarts ontvangen inlichtingen bij haar beoordeling betrokken. Een nieuwe hoorzitting was niet nodig. De rechtbank ziet voorts onvoldoende aanleiding om het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts omtrent de beperkingen van appellant in twijfel te trekken. De rechtbank heeft ten slotte geen aanknopingspunten gevonden om de geselecteerde functies niet voor appellant geschikt te achten.
3. In hoger beroep heeft appellant hiertegen aangevoerd dat hij in het verleden met dezelfde klachten wel volledig arbeidsongeschikt werd geacht. Zijn klachten zijn onvoldoende vertaald in beperkingen. Hij is ten onrechte niet onderzocht door de bezwaarverzekeringsarts. De rechtbank heeft voorts zijn opmerking omtrent de functie elektromonteur in te algemene termen verworpen.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met zijn stellingname in eerste aanleg, geen nieuwe gezichtspunten en heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd die twijfel doen rijzen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Evenals de rechtbank acht de Raad het medische onderzoek zorgvuldig. Het feit dat de bezwaarverzekeringsarts appellant niet heeft gezien omdat appellant niet op de hoorzitting aanwezig was, leidt niet tot een andere conclusie. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant telefonisch gesproken, heeft informatie van de huisarts en de neuroloog van appellant in haar beoordeling betrokken en was bekend met de door appellant gebruikte medicijnen. De verwijzing van 7 december 2009 door de huisarts naar de orthopeed leidt evenmin tot een ander oordeel aangezien deze verwijzing ruim een jaar na de datum in geding plaats heeft gevonden. De stelling van appellant dat zijn klachten niet zijn veranderd treft ook geen doel. Bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de WAO zijn niet de klachten maar de geobjectiveerde beperkingen doorslaggevend.
4.3. Ook wat betreft de arbeidskundige kant van de zaak sluit de Raad zich aan bij hetgeen de rechtbank heeft overwogen. Met betrekking tot de grief van appellant inzake de functie elektromonteur verwijst de Raad naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts van 12 augustus 2008, waarin is aangegeven waarom appellant tijdens 8 werkuren 5 maal ongeveer 5 minuten achtereen gebogen actief kan zijn. Ten aanzien van het niveau van deze functie volstaat de Raad met een verwijzing naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 28 juli 2008.
4.4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van A.C.A. Wit als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 januari 2010.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) A.C.A. Wit.
EK