ECLI:NL:CRVB:2010:BK8557
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering en geen recht op ziekengeld op grond van de Ziektewet
Appellante was sinds 2000 volledig arbeidsongeschikt en ontving een WAO-uitkering. Na een herbeoordeling in 2006 stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, maar berekende een verdiencapaciteit van meer dan 85%, waarna het UWV haar WAO-uitkering introk. Appellante maakte bezwaar, dat ongegrond werd verklaard.
In 2007 meldde appellante zich ziek met migraine- en spanningsklachten, maar een verzekeringsarts verklaarde haar per 2 juli 2007 hersteld voor de geselecteerde functies. Het UWV trok daarop het recht op ziekengeld in, wat eveneens werd bestreden zonder succes.
De rechtbank vernietigde het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering, maar verklaarde het beroep tegen het besluit op ziekengeld ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraken. De Raad oordeelde dat de medische beperkingen niet onderbouwd waren en dat de arbeidsdeskundige rapportages voldoende waren gemotiveerd. Ook was er geen aanleiding voor benoeming van een deskundige. De Raad volgde de conclusie dat appellante op 2 juli 2007 geschikt was voor ten minste één van de geselecteerde functies en dus geen recht had op ziekengeld.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering en het besluit tot intrekking van het ziekengeld worden bevestigd.