ECLI:NL:CRVB:2010:BK8618
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende ongeschiktheid voor arbeid
Appellant heeft zich op 14 juni 2004 ziekgemeld vanwege spanningsklachten en verzocht bij brief van 8 september 2006 om een Ziektewet-uitkering met ingang van 1 augustus 2004. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) weigerde de uitkering, hetgeen door de rechtbank werd bevestigd. In hoger beroep stelde appellant dat hij door psychische klachten niet in staat was zijn arbeid te verrichten. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat appellant per 1 augustus 2004 niet ongeschikt was voor zijn functie als pedagogisch medewerker.
De Raad overwoog dat appellant aanvankelijk een Werkloosheidswet-uitkering had aangevraagd en pas later de Ziektewet-uitkering, en dat er geen medische behandeling voor psychische klachten was vóór december 2004. Ook ontbrak het aan een deskundigenonderzoek omdat het een beoordeling in retrospectief betrof en er geen tegenstrijdige medische oordelen waren. De ingebrachte informatie uit 2008 over latere behandeling en emotionele problemen bood geen aanleiding om de eerdere conclusie te herzien.
Verder achtte de Raad het van belang dat factoren in het arbeidsconflict de ongeschiktheid per 14 juni 2004 veroorzaakten, maar dat deze ongeschiktheid per 1 augustus 2004 niet meer bestond. Knieklachten en medicijngebruik waren onvoldoende onderbouwd om tot een andere beoordeling te komen. De Raad zag geen reden voor een aanvullend psychiatrisch onderzoek en bevestigde de eerdere uitspraak dat appellant geen recht had op de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Ziektewet-uitkering per 1 augustus 2004 wegens onvoldoende medische onderbouwing van ongeschiktheid.