Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8718

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-4099 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op ziekengeld na zorgvuldige medische beoordeling

Appellant, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek na een auto-ongeval op 9 juni 2006. Na meerdere onderzoeken door de primaire verzekeringsarts werd appellant per 23 april 2007 hersteld verklaard en werd het recht op ziekengeld beëindigd.

Het UWV weigerde de verdere uitkering van ziekengeld en verklaarde het bezwaar van appellant ongegrond, mede op basis van rapportages van de bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond.

In hoger beroep voerde appellant aan dat hij een whiplash had en dat nader onderzoek naar deze diagnose noodzakelijk was. De Raad overwoog dat de medische beoordeling zorgvuldig was, waarbij ook informatie van diverse medische specialisten was meegewogen. De nadien overgelegde medische stukken betroffen niet de gezondheidstoestand op de datum in geding.

De bezwaararbeidsdeskundige had aanvullend onderzoek gedaan en contact gehad met de werkgever. De Raad vond geen reden om de conclusies van de verzekeringsartsen en arbeidsdeskundige te betwisten.

De Raad bevestigde het besluit van het UWV dat appellant per 23 april 2007 geen recht meer had op ziekengeld. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant per 23 april 2007 geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

08/4099 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 26 mei 2008, 07/2249
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 6 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. S. Demirtas, advocaat te Nieuwegein, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 2009. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Demirtas. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.H. Rebel.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant, werkzaam als productiemedewerker voor 40 uur per week, heeft zich na een auto-ongeval op 9 juni 2006 ziekgemeld. Naar aanleiding van deze ziekmelding heeft appellant meerdere malen het spreekuur van de verzekeringsarts Y. van der Voort bezocht. Na het spreekuur van 16 april 2007 is appellant per 23 april 2007 hersteld verklaard.
1.2. Bij besluit van 16 april 2007 heeft het Uwv per 23 april 2007 (verdere) uitkering van ziekengeld geweigerd. Bij besluit van 10 juli 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2007, onder verwijzing naar de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts L. ten Hove en debezwaararbeidsdeskundige A.A. Goossens van respectievelijk 14 juni 2007 en 29 juni 2007, ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft - kort samengevat - in hoger beroep aangevoerd dat hij een scala aan klachten heeft en (thans) bekend is geworden dat hij ook een whiplash probleem heeft. Het Uwv had volgens hem nader onderzoek moeten doen naar de diagnose whiplash. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant nadere medische stukken in het geding gebracht. Nu deze medisch stukken niet bij het Uwv bekend waren en er geen juist medisch onderzoek heeft plaatsgevonden naar de lichamelijke- en psychische gesteldheid, is appellant van mening dat het onderzoek naar de belastbaarheid niet juist is gebeurd en dat het bestreden besluit mitsdien onzorgvuldig is voorbereid.
4.1. De Raad overweegt als volgt.
4.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de Ziektewet (ZW) heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld.
4.3. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat het bestreden besluit berust op een zorgvuldige medische beoordeling. De Raad heeft daarbij in aanmerking genomen dat de primaire verzekeringsarts appellant diverse malen heeft onderzocht en daarbij beschikte over informatie van de behandelend sector. De bezwaarverzekeringsarts Ten Hove heeft appellant eveneens onderzocht en de in bezwaar overgelegde informatie van de huisarts, de psychiater, de chirurg en de reumatoloog meegewogen in haar oordeel. Ten aanzien van de nadien overgelegde informatie van de psychotherapeut drs. J.K. Kruijt verwijst de Raad naar het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts, zoals vermeld in haar rapport van 6 september 2007. De Raad ziet voorts in de door appellant in hoger beroep ingebrachte medische informatie van de chirurg P.R. Schütte van 1 juli 2008, de psycholoog drs. M. Horn-Titiz van 27 juni 2008, de revalidatie-arts Q.M. van Veen-Snijders van 14 januari 2008 en de stukken van OCA geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de zorgvuldigheid en de volledigheid van de onderzoeken en de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapportage van 5 september 2008 voldoende gemotiveerd aangegeven dat de thans gestelde diagnose whiplash, de klachten en de weging van de belastbaarheid van appellant op de datum in geding niet anders maakt. Daarbij merkt de Raad op dat de in hoger beroep overgelegde informatie geen betrekking heeft op de gezondheidstoestand van appellant op de datum in geding.
4.4. Ten aanzien van de maatstaf arbeid merkt de Raad nog op dat de bezwaararbeidsdeskundige Goossens nader onderzoek heeft gedaan. De bezwaararbeidsdeskundige heeft contact gehad met de voormalige werkgever en hiervan in een rapport van 29 juni 2007 verslag gedaan. De Raad ziet geen grond deze rapportage voor onjuist te houden.
4.5. De Raad is, gelet op hetgeen onder 4.3 en 4.4 is overwogen, van oordeel dat het Uwv op goede gronden de conclusie heeft getrokken dat appellant per 23 april 2007 in staat moet worden geacht om zijn arbeid te verrichten en dat appellant derhalve met ingang van die datum geen recht meer heeft op ziekengeld ingevolge de ZW. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van F. Heringa als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 januari 2010.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) F. Heringa.
TM