ECLI:NL:CRVB:2010:BK8721
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging recht op ziekengeld wegens onvoldoende medische onderbouwing arbeidsongeschiktheid
Appellant, een voormalig chauffeur, meldde zich op 18 september 2006 ziek wegens rugklachten en ontving een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW). Het UWV beëindigde het recht op ziekengeld per 9 juli 2007, omdat uit medische rapportages bleek dat appellant niet volledig arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren uitgevoerd en geen objectieve medische afwijkingen waren vastgesteld die volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn lichamelijke en psychische klachten onvoldoende waren erkend en verwees naar een verklaring van zijn neuroloog.
De Raad overwoog dat de verzekeringsartsen overtuigend hadden aangetoond dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen waren die volledige arbeidsongeschiktheid rechtvaardigen. De psychische klachten waren niet aanleiding geweest voor psychiatrische beoordeling en medicatiegebruik was afgebouwd. Zonder nadere medische onderbouwing zag de Raad geen reden om het besluit van het UWV te wijzigen en bevestigde de rechtbankuitspraak.
Uitkomst: Het recht op ziekengeld van appellant is per 9 juli 2007 terecht beëindigd wegens ontbreken van objectieve medische onderbouwing voor volledige arbeidsongeschiktheid.