Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2010:BK8914

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-3288 WAZ
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3, eerste lid, onder e, WAZ
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WAZ-uitkering wegens juiste vaststelling eerste arbeidsongeschiktheidsdag

Appellant verzocht om een WAZ-uitkering en stelde dat hij al voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) had de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 januari 2006 en weigerde de uitkering omdat de toegang tot de verzekering per 1 augustus 2004 was geëindigd.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en appellant ging in hoger beroep. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat appellant volledig arbeidsongeschikt is, maar dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht op 1 januari 2006 is vastgesteld. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hadden uitvoerig gemotiveerd waarom deze datum juist was. Medische stukken van appellant boden geen objectief bewijs dat hij al vóór 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was.

De Raad wees ook het beroep op de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Amber) af, omdat artikel 3, eerste lid, onder e, van de WAZ de weigering rechtvaardigt. Het hoger beroep faalde en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WAZ-uitkering bevestigd.

Uitspraak

08/3288 WAZ
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 mei 2008, 07/3151 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat te Vlaardingen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2009. Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 30 september 2002 heeft het Uwv geweigerd om appellant een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) te verstrekken omdat hij minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht. Tegen dit besluit is geen bezwaar gemaakt zodat het in rechte vast is komen te staan.
1.2. Bij schrijven van 19 april 2006 heeft appellant een nieuwe aanvraag voor een WAZ-uitkering gedaan. Het Uwv heeft de eerste arbeidsongeschiktheidsdag arbitrair vastgesteld op 1 januari 2006. Appellant is per die datum volledig arbeidsongeschikt geacht. Bij besluit van 1 maart 2007 is hem echter een uitkering geweigerd omdat de toegang tot de verzekering voor de WAZ per 1 augustus 2004 is geëindigd.
1.3. Het bezwaar tegen het besluit van 1 maart 2007 is bij besluit van 25 juli 2007 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.4. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij al voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was en dat hij op grond van de Wet afschaffing malus en bevordering reïntegratie (Amber) recht heeft op een WAZ-uitkering. Appellant heeft medische stukken in geding gebracht waaruit blijkt dat hij al voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was. Met die stukken is onvoldoende rekening gehouden.
3.1. De Raad overweegt als volgt. Niet in geschil is dat appellant volledig arbeidsongeschikt is. De Raad ziet zich gesteld voor de vraag of de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht is vastgesteld op 1 januari 2006. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat die vraag bevestigend dient te worden beantwoord. Hiertoe wordt overwogen dat er geen redenen zijn om het standpunt van appellant dat hij al voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was te volgen. De verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hebben uitvoerig uiteengezet waarom zij 1 januari 2006 als eerste arbeidsongeschiktheidsdag hebben aangenomen. De Raad merkt op dat uit het journaal van de huisarts van appellant van 28 september 2007 blijkt dat appellant zich op 3 maart 2006 gemeld heeft met een wondje aan zijn voet (welk wondje heeft geleid tot necrose en onderbeen amputatie en uiteindelijk geleid heeft tot volledige arbeidsongeschiktheid). Appellant heeft toen aangegeven dat het wondje op dat moment tien dagen aanwezig was. De verzekeringsarts heeft, door de eerste arbeidsongeschiktheidsdag vast te stellen op 1 januari 2006, al een ruime marge aangenomen. Van de zijde van appellant zijn geen objectieve medische stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij al voor 1 augustus 2004 arbeidsongeschikt was. De stukken die appellant ingediend heeft waren óf al meegenomen bij de beoordeling in 2002 en hebben niet tot een uitkering geleid óf bevatten geen gegevens waaruit blijkt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag voor 1 augustus 2004 is gelegen.
3.2. Nu aldus voor de Raad vaststaat dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag terecht vastgesteld is op 1 januari 2006 komt de Raad tot de conclusie dat het Uwv appellant ingevolge artikel 3, eerste lid, onder e, van de WAZ terecht een uitkering heeft geweigerd. Het beroep op de wet Amber kan gezien het hiervoor vermelde wetsartikel evenmin slagen.
4. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep faalt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
De uitspraak is gedaan door G. van der Wiel als voorzitter en J. Brand en J.L.P.G van Thiel als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2010.
(get.) G. van der Wiel.
(get.) M.A. van Amerongen.
JL