ECLI:NL:CRVB:2010:BK9956
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens verblijf buitenland langer dan vier weken
Appellant ontving bijstand en was niet volledig ontheven van de verplichtingen uit artikel 9, eerste lid, van de WWB. Hij verbleef vanaf 3 november 2006 langer dan vier weken aaneengesloten in het buitenland, namelijk Australië. Het College trok daarom de bijstand met ingang van 1 december 2006 in, omdat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder d, van de WWB bepaalt dat bij verblijf langer dan vier weken buiten Nederland geen recht op bijstand bestaat.
Appellant voerde aan dat hij gelijkgesteld moest worden met personen die volgens artikel 13, vierde lid, van de WWB een langere periode buiten Nederland mogen verblijven, maar hij was niet ontheven van de verplichtingen en viel dus niet onder deze categorie. Ook zijn beroep op slechte gezondheid en de noodzaak tot vrijstelling van verplichtingen werd verworpen, mede omdat hij geen bezwaar had gemaakt tegen het eerdere besluit waarin geen volledige ontheffing werd verleend.
De Raad concludeerde dat het College terecht de bijstand introk en dat er geen sprake was van zeer dringende redenen die een uitzondering konden rechtvaardigen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wegens verblijf langer dan vier weken in het buitenland wordt bevestigd.