ECLI:NL:CRVB:2010:BL0050
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld op grond van ongeschiktheid voor arbeid
Appellant is in beroep gegaan tegen het besluit van het UWV om het ziekengeld vanaf 6 december 2005 te beëindigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en hechtte daarbij waarde aan de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts.
In hoger beroep werd aangevoerd dat de psychische klachten onvoldoende waren erkend, onderbouwd met een rapportage van de HSK-groep over een chronische depressieve stoornis. De Raad overwoog dat volgens artikel 19 Ziektewet Pro het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor de laatst verrichte arbeid of, bij blijvende ongeschiktheid, passendheid van functies zoals vastgesteld bij de WAO-beoordeling.
De bezwaarverzekeringsarts had vastgesteld dat de beperkingen van appellant onveranderd waren ten opzichte van de eerdere WAO-beoordeling en dat de voorgehouden functies passend zijn. De Raad vond geen nieuwe medische informatie die aanleiding gaf om aan deze bevindingen te twijfelen. De rapportage van de HSK-groep en latere psychologische onderzoeken betroffen data na de peildatum en werden daarom niet doorslaggevend geacht.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank, en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.