ECLI:NL:CRVB:2010:BL0061

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-5741 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging ziekengeld na psychische klachten zonder objectieve medische onderbouwing

Appellante ontving een uitkering op grond van de Werkloosheidswet en meldde zich ziek vanwege psychische klachten. Het UWV kende haar een Ziektewetuitkering toe, maar stelde na medisch onderzoek dat zij per 22 oktober 2007 volledig geschikt was voor arbeid. Het bezwaar van appellante tegen het beëindigen van het ziekengeld werd ongegrond verklaard door het UWV en later door de rechtbank.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het medisch dossier en de rapportages van verschillende artsen en psychologen bestudeerd. Hoewel er sprake is van een persoonlijkheidsproblematiek en milde depressieve klachten, is er geen sprake van een ziekte of gebrek die haar arbeidsongeschiktheid rechtvaardigt. De Raad acht de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts betrouwbaar en concludeert dat het UWV terecht het ziekengeld heeft beëindigd.

De Raad bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan op 20 januari 2010 door de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.

Uitspraak

08/5741 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 18 augustus 2008, 07/3192 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 20 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door J. T. Wielinga.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft na haar laatstelijk verrichte werkzaamheden als stadswacht voor 36 uur per week een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit deze situatie heeft zij zich op 4 oktober 2006 ziek gemeld vanwege psychische klachten. Vervolgens heeft het Uwv aan appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.
1.2. Na haar ziekmelding is appellante meerdere malen gezien op het spreekuur van de arts W.D. Noorduin, voor het laatst op 3 oktober 2007. Deze arts heeft na eigen onderzoek geconcludeerd dat appellante per 22 oktober 2007 volledig geschikt was voor haar arbeid. Bij besluit van 22 oktober 2007 heeft het Uwv vervolgens aan appellante meegedeeld dat zij vanaf die datum geen recht meer heeft op ziekengeld. Bij besluit van 14 november 2007 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 oktober 2007, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts G.W. Egbers van 13 november 2007, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.1. De Raad overweegt als volgt.
3.2. Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie moet onder “zijn arbeid” worden verstaan de laatstelijk voor ziekmelding feitelijk verrichte arbeid.
3.3. De arts Noorduin heeft appellante meerdere malen psychisch onderzocht en was daarbij op de hoogte van de behandeling van appellante bij de GGZ Drachten die tot eind juli 2007 heeft geduurd, waarna de arts heeft geconcludeerd dat sprake is van een milde depressie. De bezwaarverzekeringsarts Egbers heeft appellante vervolgens op het spreekuur van 12 november 2007 psychisch onderzocht en dossierstudie verricht. Van zijn bevindingen heeft Egbers uitgebreid gerapporteerd waarbij hij tot de conclusie is gekomen dat, hoewel sprake is van enige kwetsbaarheid, er geen sprake is van een ziekte of gebrek in engere zin die maakt dat appellante niet geschikt is voor haar laatst verrichte werk. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts aangetekend dat in geval van appellante tekenen aanwezig zijn dat werkzaam zijn een heilzaam effect op haar welbevinden heeft. Mede gelet op deze bevindingen is de Raad met de rechtbank van oordeel dat er geen objectieve medische onderbouwing voorhanden is voor het standpunt van appellante dat zij niet geschikt is haar werk als stadswacht te hervatten. Ook de medisch adviseur D.J. Schakel is in zijn rapportage van 28 juli 2008 tot de conclusie gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychiatrisch ziektebeeld dat tot beperkingen leidt. Voorts blijkt uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de psycholoog T. Huiskes van 27 april 2006 en de sociaal psychiatrisch verpleegkundige A. Slachter van 12 juli 2007 – gelet op de rapportages van de bezwaarverzekeringsarts van 18 november 2008 en 23 september 2009 – niet van een uitgesproken ziekte. De persoonlijkheidsproblematiek is al bij de eerdere onderzoeken onderkend, maar leidt niet tot het aannemen van verworven ziekte en/of gebrek, aldus Egbers. Gelet op de gedingstukken en hetgeen door appellante is aangevoerd, ziet de Raad geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts. Mitsdien is de Raad van oordeel dat het Uwv op goede gronden heeft besloten appellante met ingang van 22 oktober 2007 niet langer in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de ZW.
4. Uit hetgeen hiervoor onder 3.3 is overwogen, volgt dan ook dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake de vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.
(get.) C.P.J. Goorden
(get.) M.D.F. de Moor
EF