ECLI:NL:CRVB:2010:BL1152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-281 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering

Appellant, een voormalig voltijds tuinbouwmedewerker, kreeg een WAO-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Het UWV trok deze uitkering per 30 juli 2006 in, omdat de arbeidsongeschiktheid volgens hen was gedaald tot onder 15%. Na bezwaar en een zorgvuldige medische en arbeidskundige beoordeling bleef het besluit in stand. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep stelde appellant dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat zijn beperkingen, met name ten aanzien van geluidsbelasting, werden onderschat. De Raad overwoog dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat er geen objectieve medische gegevens waren die een beperking op geluidsbelasting ondersteunden. Ook de arbeidskundige functies die aan appellant waren toegerekend, werden als medisch geschikt beoordeeld.

De Raad oordeelde echter dat het bestreden besluit in hoger beroep pas van een toereikende en juiste motivering was voorzien, waardoor het besluit en de uitspraak van de rechtbank werden vernietigd. De rechtsgevolgen van het besluit bleven echter in stand. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.

Uitspraak

08/281 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 december 2007, 06/8489 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 29 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 22 april 2008 heeft het Uwv een rapport van 15 april 2008 van bezwaarverzekeringsarts A. Mirza ingestuurd, waarin zij een reactie heeft gegeven op het hoger beroepschrift.
Bij brief van 14 november 2008 heeft appellant een rapport van Salto Depiro B.V. van
12 augustus 2008 ingestuurd.
Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad heeft het Uwv bij brief van 21 juli 2009 alsnog inhoudelijk verweer gevoerd door indiening van een rapport van 14 juli 2009 van bezwaararbeidsdeskundige H. de Rooy.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 december 2009. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. Beelaard, voornoemd. Namens het Uwv is verschenen A.W.G. Determan.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is laatstelijk werkzaam geweest als voltijds tuinbouw medewerker. Op 17 september 2001 is hij voor die werkzaamheden uitgevallen wegens hoofdpijn- en duizeligheidsklachten.
1.2. In aansluiting op de wettelijke wachttijd is aan appellant met ingang van 20 september 2002 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheids-verzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
1.3. Bij besluit van 29 mei 2006 is de WAO-uitkering van appellant met ingang van 30 juli 2006 ingetrokken, op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per die datum is afgenomen naar minder dan 15%.
2. In de bezwaarfase is onderzoek verricht door bezwaarverzekeringsarts A. Mirza. Deze verzekeringsarts is bij de hoorzitting aanwezig geweest, heeft aansluitend een spreekuuronderzoek uitgevoerd en heeft de brief van 7 augustus 2006 van Ph. Oosterhout, huisarts van appellant, en de brief van 26 juli 2006 van psycholoog V. Bol en psychiater R. Rambharos, verbonden aan PsyQ bij haar beoordeling betrokken. In haar rapport van 16 augustus 2006 heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat er geen aanleiding is om af te wijken van de door de primaire verzekeringsarts vastgestelde belastbaarheid, zoals weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 mei 2006. Bezwaararbeidsdeskundige A.G. Diergaarde heeft de geduide functies opnieuw beoordeeld en in een rapport van 14 september 2006 geconcludeerd dat alle primair geduide functies ongewijzigd passend kunnen worden geacht. Bij besluit van 18 september 2006 (hierna: het bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 mei 2006 ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank - kort samengevat - overwogen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit op een voldoende medische grondslag berust. Ten aanzien van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geen aanknopingspunten gezien om de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht voor appellant ongeschikt te achten. De bij die functies voorkomende signaleringen zijn naar het oordeel van de rechtbank afdoende toegelicht met de arbeidskundige rapporten van 23 mei en 14 september 2006 en 2 februari 2007.
4. In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat het medisch onderzoek onzorgvuldig is geweest en dat zijn beperkingen zijn onderschat. Naar de mening van appellant is ten onrechte geen beperking meer aangenomen wat betreft geluidsbelasting. Voorts had de brief van 26 juli 2006 van PsyQ voor de bezwaarverzekeringsarts aanleiding moeten zijn om meer informatie op te vragen bij de behandelend sector. Ten slotte acht appellant zich niet geschikt voor de geduide functies.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. De Raad heeft in hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd geen aanleiding gezien over de medische grondslag van het bestreden besluit een ander oordeel te geven dan de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat die medische grondslag berust op een zorgvuldig onderzoek. Tevens ziet de Raad geen aanleiding om te twijfelen aan de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid. Het standpunt van appellant dat hij beperkt dient te worden geacht wat betreft geluidsbelasting is niet onderbouwd met objectief-medische gegevens. De Raad kan zich vinden in de door bezwaarverzekeringsarts Mirza in haar aanvullende rapport van 15 april 2008 op dit punt gegeven toelichting. Tevens neemt de Raad in aanmerking dat noch uit het rapport van de verzekeringsarts van 12 april 2006, noch uit het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 16 augustus 2006 blijkt van een claimklacht van appellant met betrekking tot gehoorproblemen. Ook de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts geven geen aanleiding om beperkingen wat betreft het gehoor aan te nemen. Wat betreft de door appellant in bezwaar overgelegde brief van 26 juli 2006 van PsyQ onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank hierover en de overwegingen die haar daartoe hebben geleid. Het in rubriek I van deze uitspraak genoemd rapport van Salto Depiro B.V., dat een advies bevat over re-integratie, leidt de Raad evenmin tot een ander oordeel over de medische grondslag van het bestreden besluit.
5.3.1. De Raad heeft, uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid, evenmin grond om te oordelen dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in medisch opzicht niet geschikt te achten zijn voor appellant. In hoger beroep is met het arbeidskundige rapport van 14 juli 2009 voldoende nader toegelicht dat de primair geduide functies inpakker (sbc-code 111190), productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (sbc-code 111172) en schoonmaker hotel (sbc-code 111132) voor appellant in medisch opzicht geschikt te achten zijn. Wat betreft de belasting op het aspect reiken in de functie inpakker onderschrijft de Raad de opvatting van de bezwaararbeidsdeskundige dat appellant niet beperkt is geacht op dat aspect en dat het bij het reiken gaat om een kortere afstand bij een hogere frequentie dan waarvan bij de normaalwaarde wordt uitgegaan. Hierdoor treedt enige compensatie op waardoor de belasting bij het reiken aanvaardbaar is. Tevens neemt de Raad daarbij in aanmerking dat de belasting op dat aspect door de verzekeringsarts akkoord is bevonden. Ook wat betreft het aspect duwen/trekken in de functie productiemedewerker onderschrijft de Raad de aanvullende motivering van de bezwaararbeidsdeskundige in het rapport van 14 juli 2009. In de in hoger beroep herhaalde grief van appellant ten aanzien van de functie schoonmaker hotel ziet de Raad, evenals de rechtbank, geen grond om te twijfelen aan de juistheid van de functiebeschrijving.
5.3.2. Nu pas in hoger beroep het bestreden besluit van een toereikende en juiste motivering is voorzien, dienen het bestreden besluit evenals de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd. Gelet op het hiervoor weergegeven oordeel van de Raad kunnen daarbij echter wel, met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), de rechtsgevolgen van het bestreden besluit geheel in stand worden gelaten.
6. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze kosten worden voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit geheel in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep tot een bedrag van € 644,-;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in hoger beroep tot een bedrag van € 644,-, te betalen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uwv aan appellant het betaalde griffierecht van € 143,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en J.P.M. Zeijen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier.De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2010.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ