ECLI:NL:CRVB:2010:BL1613

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 januari 2010
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-3081 WUBO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55, vijfde lid, AwbArtikel 17 Beroepswet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet ongegrond wegens niet tijdig ingediend beroepschrift in sociale zekerheidszaak

Appellant heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Pensioen- en Uitkeringsraad, maar het beroepschrift werd niet tijdig ingediend. De Raad heeft het beroep daarom niet-ontvankelijk verklaard. Appellant heeft hiertegen verzet aangetekend en aangevoerd dat hij door zijn deelname aan de Wet schuldsanering natuurlijke personen en zijn oorlogsverleden niet in staat was tijdig te reageren.

Tijdens de zitting op 9 december 2009 is vastgesteld dat het beroepschrift pas op 11 februari 2009 werd ingediend, terwijl de uiterste datum 4 februari 2009 was. De Raad oordeelt dat de vertraging door de bewindvoerder niet langer dan zes weken mag duren en dat de psychische gesteldheid van appellant onvoldoende is onderbouwd om het verzuim te rechtvaardigen.

De Raad ziet ook geen reden waarom het op 11 februari wel mogelijk was een beroepschrift in te dienen en niet op 4 februari. Het verzet wordt daarom ongegrond verklaard. Er wordt geen veroordeling in de kosten van het verzet uitgesproken. Tevens is vermeld dat een verzoek tot terugkomen van het besluit door de advocaat van appellant is gedaan, maar dit raakt niet aan de huidige uitspraak.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

09/3081 WUBO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet in verband met het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerster)
Datum uitspraak: 20 januari 2010
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 17 van Pro de Beroepswet van 15 oktober 2009 heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van verweerster van 24 december 2008 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 15 oktober 2009 heeft mr. P.J.Ph. Dietz de Loos, advocaat te Wassenaar, namens appellant verzet gedaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 december 2009. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Dietz de Loos. Verweerster is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 15 oktober 2009 berust op de overwegingen dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Vaststaat dat de het beroepschrift niet tijdig is ingediend. De laatste dag waarop tijdig een beroepschrift kon worden ingediend was 4 februari 2009. Appellant heeft bij e-mailbericht van 11 februari 2009, gericht aan verweerster, beroep ingesteld. Verweerster heeft het beroepopschrift op 3 juni 2009 doorgezonden aan de Raad.
In verzet is aangevoerd dat de overschrijding van de beroepstermijn aan appellant niet kan worden verweten, omdat hij gedurende de gehele beroepstermijn niet in staat zou zijn geweest een beroepschrift in te (laten) dienen. Verzoeker verkeert in de Wet schuldsanering natuurlijke personen. Daardoor gaat al zijn post naar de bewindvoerder, hetgeen vertraging oplevert. Voorts is appellant door zijn oorlogsverleden zwaar getraumatiseerd, waardoor hij niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen.
De Raad ziet hierin geen grond voor het oordeel dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. Niet aannemelijk is dat de bewindvoerder er (langer dan) zes weken over zou doen om de post van appellant te behandelen. Dat appellant als gevolg van zijn oorlogsverleden niet in staat is zijn belangen behoorlijk te behartigen, is wel gesteld maar niet onderbouwd. De Raad ziet voorts niet in waarom het wel mogelijk was op 11 februari 2009 een beroepschrift in te dienen en niet (uiterlijk) op 4 februari 2009. Ter zitting heeft appellant hiervoor ook geen bevredigende verklaring kunnen geven.
Dit betekent dat het verzet ongegrond dient te worden verklaard.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
Voor de goede orde stelt de Raad nog vast dat mr. Dietz de Loos bij brief van 29 juli 2009 verweerster heeft verzocht terug te komen van het - met deze uitspraak in rechte onaantastbaar geworden - besluit van 24 december 2009.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van R. Groothuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2010.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) R. Groothuis.
DW